is toegevoegd aan uw favorieten.

Ontwerp en gewijzigd ontwerp besmettelijke ziektenwet 1924, en de daarbij behoorende stukken, vergeleken met de bestaande wetten van 1872 en 1884 tot regeling van de bestrijding dezer ziekten en van aantekeningen voorzien

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

W. 84, art. 6

126 O. en G. 0. 24, artt. 42, 43

AMBTENAREN BELAST MET HET OPSPOREN VAN OVERTREDINGEN EN HUNNE BEVOEGDHEDEN.

Wet 1884 artikel 6.

1. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet en de door Ons ingevolge art. 1 uitgevaardigde algemeene maatregelen van inwendig bestuur zijn, behalve de bij art. 11 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen, belast de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, alle ambtenaren en beambten van de Rijks- en gemeentepolitie en zoodanige andere personen, als bij de bedoelde besluiten daartoe zullen worden aangewezen.

2. De in het eerste Ud van dit artikel bedoelde personen hebben te allen tijde vrijen toegang tot voerof vaartuigen, waarmede zij vermoeden, dat voorwerpen, waarvan de in-, door- en vervoer tijdelijk verboden zijn, worden vervoerd, alsmede tot de winkels en bergplaatsen, waar zij vermoeden, dat die voorwerpen worden verkocht of bewaard. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien, desnoods met inroeping van den sterken arm.

3. Woningen en bewoonde vaartuigen treden zij tegen den wil van den bewoner niet binnen, dan op schriftelijken last van den burgemeester.

4. Van dit binnentreden wordt door hen binnen tweemaal vier en

Ontwerp 1924 artikel 42 ».

Op feiten, strafbaar gesteld bij deze wet, zijn niet van toepassing de strafbepalingen, voorkomende in de wetten betreffende de invoerrechten en accijnzen.

Ontwerp 1924 artikel 43 «.

1. Met het opsporen van de overtredingen van deze wet en de krachtens deze wet gegeven voorschriften zijn, behalve de bij artikel 8 van het Wetboek van Strafvordering aangewezen personen en de in artikel 17 der Gezondheidswet3 (Staatsblad 1919, no. 784) genoemde ambtenaren, belast de ambtenaren der invoerrechten en accijnzen, alle ambtenaren en beambten van de Rijks- en gemeentepolitie, en zoodanige andere personen, als bij de bedoelde voorschriften daartoe mochten worden aangewezen.

2. De in het eerste Ud van dit artikel bedoelde personen hebben te aUen tijde vrijen toegang tot voer- of vaartuigen, waarmede zij vermoeden, dat. voorwerpen, waarvan in-, door- en vervoer tijdelijk verboden zijn, worden vervoerd, alsmede tot de winkels en bergplaatsen, waar zij vermoeden, dat die voorwerpen worden verkocht of bewaard. Wordt hun de toegang geweigerd, dan verschaffen zij zich dien, desnoods met inroeping van den sterken arm.

3. Het bepaalde in het tweede, derde en vierde Ud van artikel 32 is van toepassing.

126