is toegevoegd aan uw favorieten.

Van Jacques Perk tot nu

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

was in zijn toekennen van de voorgang aan de verbeelding, voorgang beide historisch en als geestesstaat.

Het eerste deed ook Spinoza, en als men geen rekening hield met de eigenaardige houding waartoe hij door de omstandigheden van zijn tijd en land gedrongen werd, zou men kunnen zeggen dat hij ook het tweede deed.

Het zijn wonderlijke en bewonderenswaardige opmerkingen die Spinoza in het Theologisch-Politisch Traktaat over de verbedding maakt.

Het was er hem om te doen aan te toonen dat een groot deel van de bijbel verbeelding was. Voor hem was de verbeelding niet meer dan het natuurlijke weten, hij zegt dan ook telkens: „slechts verbeelding". Maar door zóózeer als hij het doet de verbeelding voor te stellen als de eenige macht waardoor de profeten de menschheid konden winnen voor wijsheid en wetenschap, geeft hij inderdaad het volledige schetsbeeld van Vico's voorstelling, waarin de menschheid beschouwd wordt als eerst door de verbeelding en pas later door het verstand de wereld erkend te hebben. Voor ieder nadenkend lezer was hiermee de historische voorgang van de verbeelding reeds door Spinoza vastgesteld.

Maar nu de voorgang als geestesstaat. Ik bedoel biermee dat het verstaan door middel van de verbeelding als een werkelijk verstaan begrepen wordt, en wel als een dat meer onmiddelijk dan de rede het wezen van wereld en leven bevatten zal. Het is aan geen twijfel onderhevig dat Spinoza de verbeelding niet als zoodanig erkennen wou. Als hij verbedding zegt, bedoelt bij in hooge mate inbeelding. Hij tracht duidelijk te maken dat als de verbeelding van de profeten Gods geest genoemd werd, dit niet zooveel zeggen wou, daar ook de Wet geacht werd Gods geest te zijn. Met dat al stdt het fdt zelf, dat hier de verbeeldingskracht als goddelijke geest — in gelijke mate als de Wet — begrepen werd, hem voor de noodzaak of de juistheid van dat begrip te loochenen öf er het zwijgen toe te doen.

12