is toegevoegd aan uw favorieten.

Kerk, cultuur, arbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET REALISME IN DE CHRISTELIJKE KERK

103

„innerlijke" wereld kan niet als het oorspronkelijk gegevene en eigenste aangenomen worden, van welke de objectieve of „stoffelijke" wereld dan slechts de aanvulling zou zijn. Geen inhoud kan als subjectief ervaren worden, zonder dat hij de keerzijde vormt van een inhoud, die zich ten opzichte van den eersten als objectief voordoet. Zoo beseffen wij dan dat „innerlijk" en „uiterlijk" slechts abstracte momenten zijn van een logisch oordeel, waarin deze beide als correlaten zijn opgenomen.

Op zichzelf bezien, is het natuurlijk verklaarbaar dat de Protestantsche kerken hier niet tot een zuiver wijsgeerig inzicht gekomen zijn en dat zij een logische onderscheiding in een metaphysische hebben omgezet.

Bedenkelijk is het echter, dat dit onzuivere inzicht tot onpsychologische praktijken aanleiding moest geven. Hier is het bijzonder duidelijk gebleken, dat wijsgeerige begrippen niet uitsluitend van theoretisch belang zijn, doch dat zij op de levenspraktijk den grootsten invloed uitoefenen. Toen in de Protestantsche kerken de nadruk op het innerlijke leven als een apart substantieel gebied ging vallen, toen de kerkgenootschappen in statische, innerlijke gezindheden, welke als gegeven grootheden werden opgevat, haar kracht gingen zoeken, werd de levenseenheid verbroken en kreeg ook de kerk een statisch, onwerkzaam karakter.

Wij wezen er reeds op, dat de transcendentiegedachte van oudsher aan de Christelijke kerk eigen bleek te zijn. Zij ging echter niet immer met die dualistische verdeelingen in het actueele leven van den Christen gepaard, die er in het latere Protestantisme aan toegevoegd werden. In het Katholieke Christendom en ook nog in het oud-Protestantisme, is de kerk een geestelijk-stoffelijke macht, die niet enkel gezag op de zielen, maar evenzeer op de geheele