is toegevoegd aan uw favorieten.

Kerk, cultuur, arbeid

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

128

DE HEDENDAAGSCHE CULTUURTAAKDER KERK

naar des Woords voelt, is de mogelijkheid uitgesloten om in cultureele kringen (welke volstrekt niet met de z.g.n. intellectueele kringen vereenzelvigd moeten worden, doch waaraan alle lagen des volks, in zoover zij met hun tijd meeleven, deel hebben) productieven arbeid te verrichten.

Inderdaad beseffen vele Protestantsche ambtsdragers dat hun positie twijfelachtig is geworden, maar zij bestrijden dit euvel niet immer op de juiste wijze. Meermalen is men in de gelegenheid op te merken hoe angstvallig kerkelijke voorgangers de privileges van hun ambt zoeken hoog te houden en zorgvuldig toezien dat geen onbevoegde de sacramenten bedient of in een openbare godsdienstoefening als leider voorgaat. Zij staan hierin sterk, omdat zij ook de reglementen van hun kerkgenootschap aan hun zijde hebben, die het monopolie van Doop- en Avondmaalsbediening en kanselbestijging voor den dienaar des Woords reserveeren. In plaats van echter de desbetreffende bepalingen zoo mild mogelijk toe te passen, verdedigden zij de daarin toegekende voorrechten dikwijls met hand en tand. Ook de handoplegging bij de bevestiging in het „geestelijke" ambt, een zwakke nabootsing van de Katholieke priesterwijding, versterkt dezen gildegeest en houdt de illusie in stand, als zou de kerkelijk opgeleide (met opzet wordt hier, op grond van vroeger ontvouwde redenen, niet van den theologisch opgeleide gesproken), een vakkundige zijn, die in het huidige cultuurprobleem op grond van zijn vorming en wijding een reëele taak te vervullen heeft, waartoe de leek noch de bevoegdheid, noch de kennis bezit.

Intusschen wordt de bediening des Woords door vele ambtsdragers menschelijker, ruimer, frisscher opgevat. Het zijn verminderende groepen, waarin het „Woord" als een gegeven, statische grootheid beschouwd wordt, die aan de hand van uitlegkundige studies aan de goê gemeente kan