Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maar wij, Hugo Wal ter (van) Eversweerde, waren alléén.

Je vraagt naar het repertorium dezes avonds. Het adagio uit de Pathétique, Morgenstimmung en La cathédrale engloutie. Alles ettelijke malen en tusschendoor „passagewerk". Ik weet, wat je nu doet. Je blik gaat op en je kijkt naar het loodpaneel, de glasverbeelding der verlangensgedachte uit de onsterfelijke sonate. Beschrijf mij de tintspelingen van morgen, middag of avond, die er in weerglansden. Zeg welke lichttrillingen versidderden langs het smachtend vrouwelijf, hoe het hoofd werd omwolkt, hoe waren de emanaties der handen. Zeg ook wat overgleed uit het beeld in je blik, door je blik in de beel tenisse.... En Morgenstimmung. De grillige Grieg liefelijk, de klaarheid en de verwondering des morgens in éénen, vragende klankpareling. Met voor mij de nimmer meer wijkende nevengedachte, dat dit jou muziek is, in zooverre als zij verbeeldt, vertastbaart de onspeelbare, die ik soms hooren mag om je heen Dan

de verzwolgen cathedraal, het manend klokgelui ónder de wateren, het diepe, ver en na tegelijk, symbool van bezonken aanbidding.

Heb je de lijn gevolgd? Van het warm-menschelijk verlangen tot de vreugde der geestelijke herkenning en daarna het ontzeggen in veneratie. Leidde niet steeds onze weg alzoo? In groote of mindere bewogenheid, onmerkbaar of door strakken strijd, hooggedwongen of diep-gewild?

In deze maanden der scheiding heb ik geleefd op herinnering én de herinneringen hebben elkaar doordrongen. Het dagelijksch-goede, dat mij omringde,

8

Sluiten