is toegevoegd aan je favorieten.

Kerk en oorlog

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3

Wij eeren de Kerk als het groote historische orgaan van het Evangelie. Wij eeren haar als de groote gemeenschap van menschen, die tot Christus opzien als den Heiland van enkeling en gemeenschap. Wij eeren haar als den Vestaalschen haard, waar het geloofsvuur in onafgebroken arbeid wordt brandende gehouden. Wij eeren haar, omdat zij hierdoor is het verreweg machtigste en invloedrijkste zedelijke lichaam, ook nog van onzen tijd. Maar daarom juist klinkt het ons als een ondragelijk oordeel in de ooren: „De onmacht der Kerk is een ontstellend feit in de moderne wereld".

En toch, dat oordeel is geen laster. Wat heeft de Kerk gedaan ter voorkoming, wat ter beëindiging van den laatsten oorlog? Het beteekent immers niets, vergeleken bij haar aanwakkering der nationale gevoelens en haar steviging van „het moreel der soldaten", haar versterking dus der oorlogskrachten.

Men moge hier, gelijk ook wij willen doen, met verontschuldiging tegenover staan, omdat de Kerk niet beter was en wist dan de menschen, en, in dezelfde oorlogsroes bevangen, meende te strijden voor de gerechtigheid en voor het einde van alle oorlogen, maar sinds wij gezien hebben wat een moderne oorlog in zijn dagelijkschen verdelgingsarbeid beteekent, sinds wij bemerkt hebben, dat de oorlog met gerechtigheid even weinig te maken had als de daarop volgende „vrede", bevindt zich nu en voortaan de Kerk, bij de bepaling van haar houding, onder een oneindig zwaarder oordeel dan in 1914.

In den modernen tijd is de Kerk door den invloed van geestelijke stroomingen, door de groeiende macht der pers en door de snelle technische ontwikkeling van maatschappij en staat een heel eind opzij geschoven. De groote kerkgebouwen en kerktorens domineeren nog wel de huizen maar niet meer de samenleving. Daar is weinig aan te doen, en dit hoeft geen geestelijk verlies te zijn. Macht is wat anders dan zedelijk gezag en hiervoor vaak gevaarlijk. Doch noodlottig is het wanneer het grootste zedelijke lichaam, dat de samenleving kent, zijn zedelijk gezag verliest en geen richting meer weet te wijzen. Dit nu is het geval, zoowel in Roomsche als in