Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

waaraan paus Gregorius den stoot gaf, toen hij op de markt te Rome Angelen-slaven zag, wier landgenooten hij tot mede-erfgenamen der engelen maken wilde.1) Wij bogen op beroemde zendelingen, vol van geloof en lijdensmoed; toch is ook bier het evangelie des vredes») door het zwaard tot overwinning gebracht naar den regel „si non vejbjs verberis", indien niet met woorden dan met koorden, en de prediking van een koninkrijk niet van deze wereld werd gesteund door de krAchtije_pditiekuierJKajolingers.3) De bekeering kon niet anders dan uiterlijk zijn — al was het zuurdeeg in het meel gelegd — en krachtiger dan op vernieuwing des gemoeds werkte de godsdienst van den „witten Christus"*) aanvankelijk op de verbeelding door het praalvertoon van misgewaad en altaartooi, door plechtig gezang en statig klokgelui waarvoor demonen vluchten, door de beelden en de mirakelen der heiligen, door de bediening van den doop als een magisch sacrament*) - en door de belofte van een eeuwig heil, blij vergezicht voor wie het leven zagen als een kort oogenblik van licht en warmte tusschen duisternis en koude daarvóór en daarna. •) Wynfrït-Bonifacius is de apostel der Duitschers én hun romaniseerder, de gehoorzame dienaar van den pauselijken stoel, die den bijl legt aan heilige Donareiken en meteen in het gekerstend gebied de kerk organiseert, zoodat het, voor Christus gewonnen, tegelijk van Christus' stede*) Beda, Hist. eccl. Anglorum II, 1 (595). Cosijn, Over Angelsaks. poëzie, 1899, blz. 8 leest Beda's „Aellt" in vóór-christelijken of umlaut-loozen vorm, dus als Alli, waardoor het tot Gregorius' „Alleluia" te ongedwongener aanleiding geeft.

*) WUlèbrord's strafrede tegen Radboud, met de woorden: „Si vero me contemnis, viam salutis tibi ostendentem, scito certisame quod aeterna supplicia et infernales flammas tu cum diabolo, cuiobtemperas, sustinebis," is gelukkig slechts vrucht van de verbeelding zijns biograafs Alcuïnus, Moll, Kerkgeschiedenis I 229.

*) In 692 (naar Moll a. w. I 102 n. 1, foutief Royaards, Invoering blz. 158 vlg.) laat Pippijn Willebrord naar Friesland reizen, „ipse quoque imperiali auctoritate juvans, nequi praedicantibus quicquam molestiae inferret (Rathbedus)", Beda, a. vu. V 10.

«) Hvitakristx. Jong. Olafss. Tryggv. cap. 175, toespeling op de zachte / zedeleer des evangehes. Verg. Maurer, Bekehrung d. Norw. Stamm. II 270 f.

*) Typisch voorbeeld daarvan in de genoemde Jongere Olafssage cap. 216. Ook Maurer a. w. I 392 f. Een ander bij Notker, Gesta Kar. II 19 bij Pertz, Monutn. II 765.

*) Zie het treffend beeld van een Angelsaksisch heiden bij Beda a. w. II 13 en mijne vertal. Theolog. Tijdschr. 1897, blz. 291 vlg.

Sluiten