Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

Inleiding

het recht ten dienste staat, is dit, en dus ook verkeer ervan niet denkbaar. Znn de handelingen mogelijk, welke hier belastbaar worden gesteld, dan is dit grootendeels het gevolg van wat de Staat voor de burgers doet, en is het dus zeer billijk, indien men daarvoor betaalt.

Inderdaad, het valt niet te ontkennen, dat aan de Staatszorg het rechtsleven alles te danken heeft, en dat het dus zeer redehjk is, wanneer de Staat van de burgers de middelen vordert, welke het hem mogelijk maken, de in hun belang op zich genomea taak te verrichten. Maar rechtvaardigt dit nu het vorderen vafr belasting bij bepaalde rechtshandelingen? Wordt die bescherming daarbij alleen ondervonden, blijft ze in alle overige gevallen achterwege? En geniet men enkel de overheidssteun bij het sluiten van de handeling, of bestond hij reeds voordien, en blijft hij ook later ons niet steeds terzijde staan? Met andere woorden, wil men uit dien hoofde de belasting vorderen, dan doe men dit op algemeenen grondslag. Doch beperkt men zich tot enkele gevallen, dan werkt dit onbillijk, omdat men ongelijkheid schept, wat bij het heffen van belasting zoo veel mogelijk vermeden dient te worden.

7. Bovendien de aangewezen gedragslijn heeft noodwendig tengevolge, het zoeken naar vormen, waardoor men buiten het bereik van den fiscus blijft, zeer tot schade van een goed rechtsverkeer. Ik bedoel nog niet eens het geven eener verkeerde voorstelling van zaken, waardoor het gevaar dreigt, dat men met den strafrechter in contact komt, wegens valschheid in geschrifte. Doch partijen, die ter bereiking van hun doel het best zouden gebaat zyn, met eene handeling, welke binnen den door de belastingwet getrokken kring ligt, kiezen nu een andere, die zoo goed mogelnk dienst kan doen, of wel, wat dikwijls nog erger is, ze laten de handeling achterwege. De bepaling van art. 13 der wet van 11 Juli 1882 (Stbl. No. 92), die met evenr edig registratierecht trof, het zoogenaamde verbhjvensbeding bij maat- of vennootschappen deed dit zoo nuttig instituut verdwijnen; dikwijls verving men het door een recht van overr name of toescheiding, waardoor voor partijen de zekerheid aanzienlijk werd verminderd, en zoo staat te vreezen, dat de kapitaalsbelasting bij vennootschappen menigmaal aanleiding zal zijn, om in plaats van een naamlooze vennootschap, een commanditaire op te richten met een gecompliceerde regeling voor het geval van uittreden of overhjden, welke als Ersatz bij de oorspronkelijke achterstaat.

8. Trouwens de geschiedenis is daar om de bewijzen te leveren voor den grooten invloed, die de heffing van registratierechten op de ontwikkeling van het burgerlijk recht had. De leer, dat de scheiding een declaratoir karakter bezit, zou wellicht

Sluiten