Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Kort was de weerstand der machtige heerschers

der onderste wereld : Haastig geroepen, verscheen ze, nog sleepend van

tred, door de wonde, komende uit het verblijf, waar de jongere

schimmen vertoeven, voor beider troon, waar haar Orpheus ontving,

onder deze bepaling : zich niet te keeren tot haar, eer het doel van hun

uittocht bereikt was, dreigend met eeuwig verlies van wat hem nu

goedgunstig geschonken. Haastig beklommen zij toen, door de dood'lijke

stilten het voetpad, stijler bij iedere schrede in het zich verdikkende

duister.

Dicht bij de plaats, waar het licht reeds de eeuwige

nachten doorschemert, angstig hoe ver dat ze volgt, maar begeerig

vooral haar te zien weer, keert de verliefde het hoofd, doch staart in

de ledige ruimten, waarin haar wezen versmolt, eer zijn oogen

zich zoekende wendden.

6

Sluiten