Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

viii

voorbericht.

indien hij zich van dit terrein verre houdt. Methoden die, waar het voornamelijk om het leeren spreken van eene levende taal te doen is, wellicht goede resultaten opleveren, zijn daarom nog niet bruikbaar voor het gymnasiaal onderwijs in Latijn en Grieksch, dat een geheel ander doel heeft. En voor de bereiking van dit doel schijnt het mij in elk geval met Hartmann (Glotta XII (1923), blz. 254) hoogst bedenkelijk, wanneer, zooals hij zich uitdrukt, „infolge soldier Rficksicht auf die Fassungskraft der Schüler selbst die überlieferten Formen der Texte zurecht gemacht, die Akkusative auf -is, die 2. Personen auf -re, die Genetive wie negoti, consili usw. beseitigt werden"; volkomen terecht noemt deze paedagoog zulk een verzwijgen van een groot gedeelte der feiten ,ein falsches Kürzungspririnp, das nur zu Halbwissen und Pfuscherei führt".

Natuurlijk wil ik aan de andere zijde geenszins het gevaar loochenen van een teveel aan leerstof, te minder waar een ervaren docent als Dr. Bierma in het bekende Rapport over de klassieke Oudheid in het Gymnasiaal Onderwijs (1916), bij alle waardeering waarvan zijne woorden overigens getuigen, reeds tegen den vorigen druk der Grammatica uit dit oogpunt bezwaren had. Ik laat nu daar, of het voorbeeld ter opheldering, dat hij geeft („Als aan den leerling wordt gezegd, dat de gen. op -orum ontstaan is uit een vorm op -osum, vormt dit voor hem een nieuw feit, dat zijn inzicht in niets vergemakkelijkt"), heel gelukkig is gekozen: over den oorsprong van -öram' bij de o-stammen toch werd in den vorigen druk, voorzoover ik zie, gezwegen; waarschijnlijk bedoelt Dr. Bierma, wanneer hij althans op de Grammatica het oog heeft, ■arum bij de a-stammen, waarover men in § 92, A. 2 inderdaad kan lezen: »De uitgang van den gen. plur. -r-um schijnt ontstaan te zijn uit -s-um (vgl. § 27)". Maar overigens wil ik niet tegenspreken, dat deze en andere dergelijke mededeelingen op zich zelf voor de leerlingen van geringe waarde zijn. De consequentie hieruit moet echter, naar ik meen, eene geheel andere wezen: want als men bij -örum slechts opmerkt, dat het de jongere vorm is, naast het oudere -um opgekomen onder den invloed van -arum, der a-stammen, en bij -arum niet volstaat met de mededeeling, dat het op -asöm berust, maar tevens het Homerische &e&(a)mv vergelijkt en daarbij voegt, dat -asöm eigenlijk een uitgang der pronomina was, wier verbuiging ook in andere opzichten op die der substantiva ingewerkt heeft, dan voorkomt men niet alleen verkeerde taalwetenschappelijke voorstellingen en heldert een vorm op, die anders vooral om de verdere overeenstemming tusschen de verbuiging der o-stammen in het Latijn en het Grieksch (-*, -um, -Is, -ös: -oi, -<ov, -oie, -ovs) licht zou kunnen bevreemden, maar vestigt ook de aandacht op den samenhang van anders voor het besef der leerlingen op zich zelf staande en daardoor niet begrepen vormen, en voldoet zoo toch zeker aan den door Dr. Bierma zelf gestelden eisch, dat, «waar een historisch feit wordt meegedeeld, dit door de verbinding die het vormt tusschen andere feiten, door het gemakkelijker inzicht de vermeerdering der stof weer goed (moet) maken". Met andere woorden: wil men, gelijk ook Dr. Bierma verlangt, het grammaticaal onderwijs opbouwen op den grondslag der taalwetenschap, dan zal men niet kunnen bekorten, maar moet ook feiten meedeelen, die, op zich zelf wellicht van weinig waarde, hun beteekenis hebben in de omstandigheid, dat ze de tusschenschakel vormen tusschen belangrijke dingen. Ik heb gemeend, bij het besproken voorbeeld en elders deze consequentie te moeten trekken; en de vermeerdering van den inhoud der Grammatica in de nieuwe bewerking is voor een niet gering deel daaraan toe te schrijven: niet op één, maar op tientallen van plaatsen heb ik het gevoel gehad, dat ik

Sluiten