is toegevoegd aan uw favorieten.

Westeuropeesche letterkunde

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Voorrede.

V

G. Eyre Todd, hoort in het werk der Schotsche dichters Henryson, Dunbar en Douglas: „a mournful note"; kort daarna echter zegt hij: „it would seem however as if a breath of the coming life had touched the air"'). Dezelfde weifeling, maar nu de gansche Europeesche letterkunde omvattend, vinden wij bij den Zweedschen geschiedschrijver der letterkunde. Henrik Schück. Volgens dezen maakt de literatuur der 15de eeuw overal in Europa den indruk van een zieltogende; doch op een andere plaats van zijn werk lezen wij: dat die literatuur evenzeer den dood van een afgeleefden, als de komst van een nieuwen levenskrachtigen tijd verkondigt2).

Inderdaad, wie de 15°* eeuw slechts als een tijd van verval beschouwt, ziet er maar één zijde van, en niet de meest belangrijke. Van meer belang is haar andere zijde; dat zag Carducci zoo scherp, toen hij in zijn meesterlijke schets van de ontwikkeling der Italiaansche letterkunde de vijftiende eeuw kenschetste als: „een eeuw van overgang, een beetje onsamenhangend, een beetje tuchteloos, maar een en al gisting en voortbrenging van veranderingen en nieuwe verschijnselen".

Toonen, hoe het afstervende oude en het opkomende nieuwe zich in de Westeuropeesche letterkunde der 15de eeuw openbaren, is het doel van dit boek. Ook hier blijkt de waarheid der meermalen gemaakte opmerking over de ondoelmatigheid der schoolsche indeeling in eeuwen; inderdaad komt het nieuwe ten deele reeds in het laatst der 140* eeuw op, handhaaft het oude zich ook na de 15de eeuw; omvat de strijd tusschen het oude en het nieuwe een aanzienlijk deel van de eerste helft der I6&e eeuw. Voorts heb ik getracht, iets te doen zien van den staatkundigen, godsdienstigen en maatschappelijken grond, waaruit de letterkunde is gegroeid; iets van den inhoud en den vorm dier letterkunde zelve, iets omtrent hare makers en het publiek waartoe zij zich richtten.

Wat ik gaf mag slechts algemeene literatuurgeschiedenis heeten, die vrij wat gelegenheid biedt tot vergelijking en tegenstelling, die zich soms daaraan waagt. Ook zóó beschouwd, is het niet meer dan pionierswerk. Niemand kan daarvan dieper overtuigd zijn dan de schrijver zelf, die, al stijgend, telkens wijder horizon en nieuwe verschieten zag. Maar men moet zulk werk bij de hand hebben gehad, om ten volle te kunnen beoordeelen wat het in heeft. Slechts over de stoffelijke moeilijkheden die aan historische studie van dezen aard verbonden zijn, moge hier iets gezegd worden, omdat andere onderzoekers er misschien hun voordeel mede kunnen doen. Ik heb het oog vooral op de ontoereikendheid onzer bibliotheken, zelfs van onze rijke Koninklijke Bibliotheek, waaraan ik toch zooveel te danken heb; zelfs van het schatrijke British Museum b.v. ten opzichte der oudere Scandinavische letterkunde. Eenige weken van stadigen arbeid in een buitenlandsche biblio» theek loonen de moeite door de aanwinst van nieuwe en belangrijke gegevens; doch vaak blijft het maar tandtergen, wanneer gij moet trachten in korten tijd een omvangrijk letterkundig werk te leeren kennen; wanneer gij te doen

*) Mediaeval Scottish Poetry (Glasgow, 1892).

>) Illustr. Svensk Litteraturhistoria (andra uppl.) 1911, I, 231, 2S5.