is toegevoegd aan je favorieten.

De zending op de Batoe-eilanden

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

INLEIDING.

Wie tegenwoordig met een van de geriefelijke booten der K(oninklijke P(akketvaart M(aatschappij) van Padang uit naar Poeloe Tello vaart, kan zich nauwelijks voorstellen, met welke moeiten en bezwaren onze eerste zendelingen daarheen zijn gekomen.

Heeft men het geluk met een directe boot te varen, dan vertrekt men tegen zonsondergang van Emmahaven (de haven van Padang) en is dan den volgenden dag tegen 10 uur voor Poeloe Tello. Gaat men echter met een boot, die eerst de Sumatraansche kustplaatsen Aier Bangis en Natal aandoet, dan duurt de reis ruim 30 uur.

Niet zoo gemakkelijk hadden het de eerste zendelingen, die in dienst van het Nederlandsch Luthersch Genootschap vóór In- en Uitwendige Zending het zendingswerk op de Batoe-eilanden zouden beginnen, de broeders Joh. Kersten en C. W. Frickenschmidt.

Eerst had br. Kersten nog een poging gedaan het eerste zendingsveld van het Luth. Genootschap, de Pasoemah Oeloe Manalanden achter Bengkoelen weer te bezetten. Hier had de eerste zendeling van het Luth. Gen., Asmus Festersen zich in 1884 gevestigd, hij moest echter het land in December 1885 wegens ziekte verlaten. 31 Januari 1886 begaf hij zich met zijn vrouw nog aan boord van de boot die hem naar Padang zou brengen, maar den zelfden dag stierf hij reeds aan boord, en vond toen te Bengkoelen zijn laatste rustplaats.

Toen br. Kersten in 1887, als tweede zendeling het gebied opnieuw zou bezetten, vond hij van het door Festersen gebouwde huis niets terug en moest in de pasangrahan (regeeringsverblijf) onderdak zoeken, waar ook juist een Roomsche pastoor zijn intrek had genomen, met het doel in die streken het zendingswerk te beginnen. De vraag was nu maar, wie het eerst verlof zou krijgen van de regeering zich daar als zendeling te vestigen.