Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

Dappere Hans

„Loopl"

„Nee, dat is maar gekheid, zeg. Hoor 'es, Hans!" „Nou, wat heb je?"

„Zeg, heb je 't thuis verteld, van gisteren?"

„Nee, natuurlijk niet, ik klik niet."

„Zoo, dat valt me van je mee. Ik ben toch al bang dat ze ons in de gaten hebben," mompelt Tom voor zich heen en dan weer tegen Hans: „Nou, als je wilt kun je nog wel in de club blijven. Doe je 't?"

„Weet ik nog niet."

„Wees niet flauw en doe mee, ik raad het je in je eigen belang. Ik heb het je gevraagd, hoor, graag of niet, mannetje! Als de jongens je laten loopen is 't je eigen schuld."

„Of jou schuld," denkt Hans.

„Als ik wil, kan ik je er nou nog wel inhalen," gaat Tom door, maar Hans lacht.

„Ik geloof dat jij nogal verbeelding hebt, zeg! Weet je wat ik niet snap? Dat alle jongens alles maar mooi vinden wat jij doet. Ik vond het anders een gemeene streek, gisteren met die kar en zoo."

„O, begin je weer te preeken, brave domineeszoon? Loop maar heen, hoor, ik snap allang wat voor een jij er bent. Zoo'n zoet jongentje heb ik niet noodig, en de andere jongens ook niet. Je hoeft niet te denken dat we weer een hand naar jou uitsteken."

Zoo gingen die twee van elkaar en van dien dag af aan was Hans buiten den kring van de jongens uit de zevende klas gesloten. Van toen aan had hij den bijnaam van „Moeders zoete jongen".

Sluiten