Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

VAN DE KIP DIE OP REIS GING.

I

„Allemaal gekheid," zei de vos, „dat komt alleen maar doordat de rook niet door den schoorsteen kan. Ga jij maar weer slapen en houd je snavel, Kippetje Geel-ei!"

Toen ging de kip maar weer slapen.

Nog nooit had de vos zóó gauw een heele gans opgeschrokt! Hij at namelijk zoo hard, omdat hij ook alweer zin kreeg in de vette eend. Pas had hij het laatste hapje van de gans dan ook doorgeslokt, of hij pakte de eend, draaide haar den hals om, braadde haar boven het vuur en begon weer te smullen.

Maar ook nu werd de kip wakker door de lucht van verbrande veeren. Ze hipte alweer op een hoogere lat, en riep alweer: „Hè, foei toch, wat een nare lucht!"

Maar dezen keer deed ze haar oogen wijd open en nu zag ze, dat de vos haar beste reiskameraad had opgegeten.

Nu vloog ze op de allerhoogste lat, keek eens in den schoorsteen en riep den vos toe: „O kijk, kijk, Vosje Roodstaart, wat vliegen daar een massa wilde ganzen door de lucht! Ze komen dezen kant uit!"

Dadelijk liep de vos naar buiten om te zien, of hij niet nog gauw een paar ganzen kon vangen.

Maar ondertusschen maakte de kip den haan wakker: „Haantje Kukeluku," zei ze, „Vosje Roodstaart heeft Gans Waggeldans en Eendje Kwak opgegeten, en als wij niet gauw maken dat we wegkomen, dan eet hij ons ook op!"

Toen vlogen Haantje Kukeluku en Kippetje Geel-ei door den schoorsteen naar buiten, en als ze dien dag niet meer te Vederhuizen gekomen zijn, dan had ik jullie dit verhaaltje niet kunnen vertellen; want dan was natuurlijk de heele wereld al lang vergaan.

Eebus. fPÜ ^LJkf F

Wat lees je hieruit? \1Êè ^ff!! \

Sluiten