Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

12

OUWE BRAM

gegaan zijn. Zij waren ook trouwens veel jonger dan hij: geen van de drie was reeds twaalf jaar, en — Rooie Rinus was gevreesd. „Hij is valsch," zeiden de jongens. „Hij zit vol slechte streken," zeiden de menschen, die het weten konden.

Nu zagen zij hem als hun makker. Zeker, hij schold en plaagde Ouwe Bram altijd, dat wisten ze.

„Ik zag jullie koppe net tegen de ruit. Wat doet-ie, zeg?.... Kom, 'k mot 'ok 's kijke! Da's vast!"

Parmantig stapte hij op 't venster toe, wilde den jongens laten zien, dat hij durfde.

„Ken me niks schele, hoor, 'k ben niks bang, laat hem maar opkomme."

„Ga je nou mee toe nou, Hein?" smeekte jaapje.

Nu Rooie Rinus in 't spel was gekomen werd hij nog meer bevreesd.

„Ja, dadelijk.... Wacht even .... nog één keertje kijken."

Hein en Huug slopen den slungel na en Jaapje in zijn angst volgde ook maar weer.

Hein vertelde Rinus van 't kistje met de wieltjes.

„Bahl" spotte deze, „een pop?.... Geld, zeg ik je, geld, gouden tientjes en rijksdaalders.... Geld hoor, gestolen geld, 't is een ouwe gauwdief, da's vast. Ik wou wel 's in dat kistje grabbelen, en jij, Hein?"

Hein zei niets. „Zou dat waar zijn?" dacht hij.

Ze gluurden weer naar binnen. Rinus bleef wat achteraf, hij kon daar toch ook wel zien en — hij vond het daar toch ook veiliger.

Ouwe Bram zat weer aan tafel. Voor hem lag opengeslagen een oude bijbel en aandachtig en heel langzaam gleed Bram's vinger langs de woorden, zijn lippen prevelden, zijn hoofd knikte zacht op en neer....

„Hij heeft den Bijbel ondersteboven ja, kijk maar,"

fluisterde Hein, die scherp toezag.

Sluiten