Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

INLEIDING

ling de Phoeniciërs Afrika omgezeild hebben en strekten hun tochten zich uit tot de Oostzee, doch het bleven steeds kustreizen. Men moest immer het land in 't gezicht houden.

Nu wordt echter het kompas uitgevonden en gevoelt men zich in staat, zij 't dan ook gebrekkig, de plaats, waar men zich bevindt, te bepalen. .

Het tijdperk der groote ontdekkingstochten breekt aan. Columbus stevent naar Amerika; Vasco de Gama bereikt langs de Kaap de Goede Hoop het rijke Indië; Magelhaen zeilt de geheele wereld om.

Reeds spoedig waren er velen, die beweerden, dat men door het Noorden sneller Indië — het doel, waarnaar allen streefden — kon bereiken, dan langs den weg, door de Portugeezen aangewezen.

En nu legde men zich ook hierop toe.

Weldra echter gevoelde men, dat deze richting ernstige bezwaren met zich meebracht.

De felle koude, die allen en alles verkilde tot op 't gebeente, de reusachtige ijsvelden, die de schepen omsloten of verbrijzelden, de geheele natuur, waarin nauwlijks een levend schepsel was te bespeuren; dit alles maakte, dat men slechts weinig vorderde.

Doch eeuwen lang werden de pogingen voortgezet en steeds weer stiet men op een ondoordringbaren muur, die den wakkeren schepelingen een gebiedend „halt!" toedreunde.

Men wilde het echter niet opgeven. Een „passage" moest er zijn! Ging het niet om Azië, dan zou het toch wel lukken om Amerika! Ging het niet nooroostelijk, dan moest het noordwestelijk!

Waren de eerste reizigers handelaars, wier vaartuigen voor een groot gedeelte met koopmansgoederen waren bevracht, die men in het verre Oosten tegen goud hoopte te kunnen verkoopen, later zijn het walvischvaarders, die in groote scharen de ontoegankelijke Poolzee binnendringen, om jacht te ma-

Sluiten