Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het was een buitengewone vlucht. De tocht ging over duizelingwekkende hoogten, langs peillooze afgronden, en de Afrikaansche vrouw had op dien tocht opnieuw haar onvervaard gemoed, haar onverschrokken aard en haar onuitputtelijke vindingrijkheid getoond.

Twee keeren trokken die drie en twintig wagens, elke wagen met zestien ossen bespannen, door een gezwollen rivier, waarvan het water den trekdieren tot aan de schoften reikte, en het mocht een wonder worden genoemd, dat geen der kinderen bij die gevaarvolle rivierovergangen was verdronken. Toen waren zij weer voortgesukkeld, al maar voort, totdat hun verschrikte oogen op zekeren avona de lucht vóór hen en achter hen zagen rood gekleurd.

Het waren de vlammen, die uit de brandende hoeven oplaaiden; het waren de seinen, waarmede de Engelschen hun nadering plachten aan te kondigen. En van twee zijden ingeklemd, werd de hoop op uitkomst gering.

Doch de dappere Afrikaansche vrouwen gaven het nog niet op. Zij zochten een nieuwen uitweg, door met den langen wagenslier zijwaarts te zwenken, en eerst toen zij hier op een derde vijandelijke colonne stieten, gaven zij de wanhopige worsteling op.

Als schapen zonder herder s^pnden zij daar, tusschen honderden Khaki's in, en met loome schreden, met een angstig voorgevoel, dat zij naar een slachtplaats zouden worden geleid, trokken zij naar het concentratie-kamp.

Doch zie! er kwam uitkomst. Een kleine Hottentot, die evenals de andere inboorlingen door de Engelschen als een bondgenoot werd beschouwd, wist tot vrouw Potgieter door te dringen, en smokkelde haar een verdroogd maïsblad in de handen, waarop deze vier woordjes stonden: ,,Hoii moed; ons kom!"

Het briefje was blijkbaar niet voor vrouw Potgieter alleen bestemd, en zij had zich gehaast, om haar naaste

8

Sluiten