Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

geweest zijn, die berichten wist aangaande onzen burchtheer. Die beweerde, dat hij gezond en wel op de terugreis was."

„Ik hoop, dat de man gelijk krijgt, voor onzen jongen heer zou 't ook niet kwaad zijn," het de molenaar zich hooren, maar nu iets minder luid, ziende, dat de wagenmaker den vinger voor den mond hield.

„Ja, jongens," wendde hij zich tot de knapen, die vol ongeduld stonden te wachten, „klim er maar op, maar terug kan ik jullie niet gebruiken.

Mijn bruintjes zijn sterk genoeg, maar op een vracht koren wil ik geen zes hekkespringers hebben: als 't nu nog een vracht hooi was.

'k Moet zuinig wezen op 'mijn koren, want de rentmeester heeft al gedreigd, dat hij de pacht zou verhoogen.

Daar trek jullie je echter niets van aan, hè. Nu, dat is maar goed ook. Vooruit, maar bruin!" en klappend met zijn lange zweep, ging het in draf den hobbeligen dorpsweg over, zoodat de jongens op en neer hotsten als knikkers in een beker, en hun luid gejoel en 't gerommel van den wagen kippen en varkens en honden verschrikt op zij deed stuiven.

Mulder Reijn had schik en riep af en toe over zijn schouder: „Frisch op maar jongens, spaart je kelen niet!"

Na een kwartiertje kwamen ze op 't korenveld aan, waar des molenaars knecht vol ongeduld stond te wachten, niet begrijpende, waar zijn baas zoo lang bleef.

De jongens trokken nu de velden over, bramen zoekende langs wallen en slooten.

De oogst viel evenwel niet mede; 't scheen wel, dat anderen hen voor waren geweest, want groene en rooie vonden ze genoeg, maar slechts hier en daar een zwarte.

Aan den slootkant, aan takjes boven het water, daar lokten nog wel heerlijke rijpe, maar die konden ze niet bemachtigen.

Sluiten