Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 8 —

En Peter kwam, diep in den put,

Zijn nood bij Moeder klagen, Die zei: „Hier weet ik heusch geen raad,

We zullen 't Vader vragen."

Om al de menschen op de lijn Gaf hij, naar 't scheen, geen zier,

Zijn loco was hem veel meer waard Dan 'n stervend passagier.

En nu weet je de oorzaak van

De kwaal van onzen Peter, Hij stilt zijn smart met een pastei,

En wordt zoo gauw weer beter.

In dikke dekens warm gehuld

Ligt hij heel lui te gapen, Besloten om zijn groot verdriet

Maar rustig weg te slapen.

En zijn zijn oogen soms wat rood, Dat spreekt, hij is verkouden,

Och, breng hem nog een stuk pastei. Daar schijnt hij van te houden.

Vader was drie of vier dagen op reis geweest en Peter had nu nog al zijn hoop voor de reparatie van zijn verongelukte machine op hem gevestigd, want Vader was een ongelooflijk handig knutselaar. Hij kon van alles maken! Dikwijls was hjj als veearts opgetreden bjj het houten hobbelpaard; eens zelfs had hn' 't het leven gered toen schijnbaar geen menschelijke hulp meer zou kunnen baten; het arme dier was al opgegeven en zelfs de timmerman had gezegd „dat lüj daar geen gat meer in zag." En vader had ook de poppenwieg gemaakt, toen niemand er meer raad op wist; en met wat hjm en een stukje dun

Sluiten