Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

't toch alles veel en veel beroerder." „Ja, ja," zucht 't dametje, „maar ik vind het zóó al naar genoeg!" De boot heeft ondertusschen vaart geminderd en ligt weldra stil, zoodat de duikboot gelegenheid krijgt langszij te komen. Een trap wordt neergelaten en een tweetal Duitsche officieren, de revolver in de hand, komt het dek op. „De kapitein," commandeeren zij. Deze verschijnt, bleek, vastberaden.

De aanvoerder der Duitschers, een blonde sterke figuur met een korte snor boven een wat wreeden mond, spreekt hem aan, echter zonder succes. „Wie verstaat er hier duitsch," grauwt de duikbootcommandant „niemand van jullie?" Nu komt de heer Kardon naar voren. „Goeden morgen," zegt hij, „ik spreek en versta uw taal voldoende en kan als tolk dienst doen." „Juist," antwoordt de ander, „vraag den kapitein bestemming, lading, aantal passagiers! Maar haast U wat." „Zeker," bromt Kardon, „ik zal me daar laten bevelen! Weet U, mijnheer, dat U met een Hollander te doen heeft?" „Hollander of geen Hollander, dat is mij 't zelfde, U hebt mijn bevelen op te volgen." De heer Kardon denkt na. Er staat voor hem zooveel belangrijks op 't spel. Hij wil zijn doel zoo graag bereiken. Daarom besluit hij te zwichten. Hij stelt den kapitein de gewenschte vragen en vertaalt de antwoorden in het duitsch. Klaarblijkelijk zijn deze bevredigend. „Zeg aan den kapitein, dat ik het schip wil onderzoeken. Zijn er oorlogsstoffen, wapenen, munitie aan boord, dan laat ik 't schip met man en muis zinken. Is het niet 't geval, dan kunnen jullie nog passeeren. Maar 't is, bei Gort, de laatste maal, dat ik het toesta," bromt de duikbootcommandant. Het schip Wordt onderzocht, de lading onderstboven gehaald; eenige Duitsche matrozen voor dit doel van de duikboot afgekomen, doorsnuffelen alle hoeken en gaatjes. Gelukkig geen contrabande, niets. „Dat valt U waarschijnlijk niet mee," zegt de heer Kardon tegen een der Duitschers. Deze antwoordt niet, maar kijkt Kardon strak aan, dan fluistert hij met zijn kameraad. Deze wendt zich tot den langen passagier. „Wie is U?" zegt hij. „Kardon, om U te dienen, geleerde, natuuronderzoeker, Hollander." „Dat laat ons koud, maar wat doet U op dit schip?" „Ik ben op weg een wereldschokkende ontdekking tot verdere klaarheid te brengen, ik maak daartoe een ontdekkingsreis." De duitschers staren hem aan. „Verdacht," mompelt de een. „Hoogst verdacht!" meent de ander. „Wat wilt ge ontdekken?" is de ironische vraag, „'t is nu toch geen tijd

8

Sluiten