Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

nieuwe buurmeisje zag, had ze gedacht: wat moet ik met die peuter doen? O, dat woord peuter, dat Lineke al zoo'n onnoemelijk aantal keeren in haar leventje gehoord had! — heel vroeger van moeder, dan van de buren in de stad, van de schooljuffrouwen daar ook en zelfs van den dokter, die haar moeder was komen bezoeken; allen zeiden ze op hun tijd peuter, of ze toch eigenlijk niets waard was. Maar ze had toch maar nooit iets tegen dat woord gezegd, want ze wist wel, dat ze klein en smal was, een lilliputter, zooals oom hier buiten nu nog wel zei.

Ja, hij was haar oom geweest, maar hij was nu haar vader geworden, 't was èrg vreemd daar aan te wennen. Vooral als je nooit een vader gekend hebt, je zoo heelemaal niets meer van hem weet.

Van moeder wèl. Die was toch pas een half jaar geleden van haar heengegaan. Naar het ziekenhuis was ze gegaan en daaruit niet teruggekeerd; in dien tijd was Lineke bij vriendelijke buren gebleven.

Maar vóór dien tijd, toen moeder nog duidelijk spreken en helder denken kon, had ze tot Lineke gezegd: ik ben erg ziek en als ik niet bij je zal blijven, heb ik een brief geschreven aan die menschen buiten, waar je al driemaal in den zomer bent wezen logèeren: ze waren zoo goed voor je en hebben je ieder jaar teruggevraagd, ik heb dien mijnheer ook gezien toen hij je één keer terugbracht en dat was een heel lieve man. Ze hebben twee groote jongens en nooit een dochtertje gehad. En je wéét wel wat

Sluiten