Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

4

bang te moede. Zij begrepen niet, wat dit beteekende en tegelijk vlogen zij naar hun moeder toe en vroegen angstig, waarom zij gehuild had : of oom Chris misschien op Atjeh was gesneuveld, of tante Marie te Bandoeng was gestorven.

„Nee, nee, jongens, zoo erg is 't niet !" zei mijnheer Reedijk, zich nu zichtbaar beheerschend. „Ma is alleen wat verdrietig, omdat... eh . . . Komen jullie eens even hier naast me zitten !"

Tom en Thijs keken elkander vragend aan ; zij gingen naast hun vader zitten en met angstige, groote oogen zagen zij naar hem op, bang voor wat hij hun zou gaan zeggen.

„Kijk es," zei mijnheer Reedijk zacht en hij nam tegelijk Tom'sen Thi' handen in de zijne, „we hebben er al dikwijls met jullie over s proken, dat er eens 'n tijd zou komen, dat jullie niet langer in Pi xanak zoudt kunnen blijven, dat je voor je opvoeding . . ."

Tom en Thijs begrepen beiden.

„Gaan we weg, pa ?" vroeg Tom plotseling en hij zag zijn vader daarbij heel angstig aan.

„Ja, jongens, jullie bent nu op 'n leeftijd . . ."

Maar de jongens hoorden al niet meer, wat hun vader zei. Tom vloog plotseling op zijn moeder toe, knielde bij haar neer en — zijn hoofd in haar schoot verbergend — begon hij op eens hartstochtelijk te snikken, terwijl Thijs aan de tafel bleef zitten en, recht voor zich uitstarend, zacht begon te huilen, de hand van zijn vader al maar krampachtig vasthoudend.

Mijnheer Reedijk zei niets meer; de anders dikwijls zoo strenge en schijnbaar harde man zat nu heel stil naast zijn jóngen en streek met zijn hand alleen even de tranen van Thijs' wangen weg, terwijl mevrouw zich over Tom heenbukte en hem lang en innig zoende.

De jongens wisten nog niet, wanneer en waarheen zij zouden gaan ; het eenige, wat hun duidelijk voor oogen stond, was, dat zij weg moesten, weg uit het ouderlijk huis, naar Holland, ver van vader en moeder vandaan, aan wie zij beiden zóózeer gehecht waren. Wel was vader heel streng, hadden zij herhaaldelijk harde en zware straffen van hem gehad, maar op dit oogenblik waren zij dat vergeten. Zij voelden alleen maar zeer duidelijk, dat er in Holland niemand zou zijn, die zooveel van hen hield als vader. En als zij er aan dachten, dat zij hun moeder nu spoedig moesten missen, dat zij haar lieve gezicht in lang niet meer zouden zien en haar zachte stem daar in dat vreemde land niet meer zouden hooren, dan barstten zij beiden telkens opnieuw in tranen uit.

Eindelijk, na een lange stilte, vroeg Thijs zacht:

„Wanneer gaan we weg, pa ?"

„Al heel gauw, jongen !"

Sluiten