Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

toppen der woudreuzen, die woest heen en weer geschud werden en van hun jongen voorjaarsdos een deel moesten afstaan aan den stormgeest, die hen belaagde.

Een paar groote droppels werden tegen de stammen geslingerd of vielen op het droge boschpad, dat gretig het lang verbeide vocht inzoog. Weer scheen de storm een oogenblik te bedaren, doch onmiddellijk daarop verhief hij zich met nieuwe kracht en joeg thans een leger van regenvlagen voor zich uit, die alles in een oogenblik doorweekten.

Onder een ouden beuk, die sedert zijn jeugd meer dan één menschengeslacht had zien geboren worden en vergaan en die zijn takken beschermend uitbreidde over zijn omgeving, stond een groepje jongens bijeen. Hun gezichten teekenden bezorgdheid, zelfs angst bij sommigen, niet gewend om bij zulk weer zich alleen te bevinden in het bosch, ver van de bewoonde streken.

De petten over de ooren getrokken, de kragen omhooggeslagen, drongen ze dicht bijeen tegen den verweerden stam, die in zijn onwrikbaarheid rust scheen te geven bij de algemeene beroering in het bosch. Af en toe weerklonk een gekraak en zagen de benauwde knapen een tak van een boom gescheurd en in woeste vaart tegen den grond geslingerd. Soms drong de wind onder de uitgespreide bladerkroon door en striemde hen met een feilen regenslag.

Zoo stonden ze, steeds in vrees voor wat er verder komen zou en in ongeduldig wachten op het einde van den storm. Maar nog krachtiger werd de wind

Sluiten