is toegevoegd aan je favorieten.

Aïda

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eerste Bedrijf.

Ramfis.

Ja, men beweert dat Ethiopenbenden ■ Tegen 't land van dén Nijl hun waap'nen dorsten

wenden,

Thébe wordt reeds bedreigd, Weldra weet ik wellicht De waarheid van 't bericht.

Radamès.

Kent gij dan reeds der Goden wil?

Ramfis. Ik wil niet verbloemen

Dat Isis zelve, mij des veldheer's naam mocht

noemen,

Radamès. O! welk een glorie!!

Ramfis.

Hij is jeugdig, zijn arm is vol kracht. Den vorst zij nu der Goden, wil gebracht, Radamès.

O, waar'. ik veldheer thans,

Mocht mij die roem verbeiden,

Mocht ik het heir geleiden

Verwinnend ten strijd! Verwinnaar zijn! Alom, tot mijn eer, zegeklanken Aïda, dier'bre naam, u zij mijn roem gewijd. Aan u, die mij bezielt, is de zege te danken, O bemind' Aïda! wier zoet bekoren Nooit te verstoren, elk overwint. U, zij mijn ziele, U, heel mijn leven ."' Met vreugd gegeven, mijn hart u mint. k Wil Isis zweren, dat voor u keeren Uw dagen weêr, van stille vreugd. U, wil ik geven een vorst'lijk leven.