is toegevoegd aan uw favorieten.

Schotels voor kleingezin

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gehaktballetjes met kerry.

300 Gr. kalfsgehakt, l/2 ei, een dikke snee oud brood, 1 flinke theelepel zout, wat nootmuskaat, ongeveer '/2 eetlepel kerry, 50 Gr. boter of bijna 1 blokje Delfia of Delfrite.

Maak het gehakt aan op de wijze die in het vorige recept is beschreven, maar vorm er, in plaats van 1 grooten bal, 4 kleine balletjes van. Wentel die rondom in de kerry, die als een dun laagje op een schotel (of een vel papier) is uitgespreid; laat ze een paar uur zoo liggen, om den kerry-smaak wat te laten indringen.

Laat in een braadpan de boter of het vet heet worden, leg er de balletjes in en laat ze mooi bruin en gaar worden op dezelfde wijze die voor den grooteren bal is beschreven (ongev. % uur); voeg nu en dan een lepel water bij de jus.

Presenteer dit gehakt bij voorkeur bij gekookte rijst; vorm (op een verwarmden schotel) van de rijst een omranding en leg in de binnenruimte het gehakt met de daarbij behodrende jus.

Duitsche biefstuk.

400 Gr. malsche baklappen, 1 uitje, 5 Gr. zout, wat peper, 1 sneetje oud brood (zonder korst), y2 eetlepel gehakte peterselie, 50 Gr. boter, 1 eetlepel Delftsche slaolie of yA blokje Delfrite.

Maal het vleesch fijn (liefst 2 maal), Vermeng het met het geweekte en daarna goed uitgedrukte brood, het zout, de peper, de gehakte peterselie en het zeer fijn gehakte uitje.

Vorm van het mengsel kleine biefstukjes, trek er met een mes de gebruikelijke ruitjes in en leg dan het vleesch in de koekenpan, waarin de boter lichtbruin is gemaakt.

Bak de biefstukjes vlug aan weerskanten mooi bruin in de dampend heete olie of Delfrite, voeg er dan de boter bij, keer er het vleesch nog even in om en breng het over op een verwarmden schotel; maak de jus af met een scheutje melk (of water) en giet die er over.

Blinde vinken.

300 Gr. dunne, magere kalfslapjes (4 stuks), 100 Gr. varkensgehakt, dun sneetje oud brood, wat peper, zout, nootmuskaat, ongeveer 75 Gr. boter (ook te vervangen door 4 eetlepels Delftsche slaolie of 1 blokje Delfrite), '/2 citroen.

Maak het gehakt aan met het geweekte brood, het zout en de kruiden. Wasch de lapjes en wrijf ze in met wat peper en zout; bedek ze met een dun laagje gehakt, rol ze op en bind ze met een touwtje dicht. Braad ze in een gesloten ijzeren potje in de heete boter (of het heete vet) bruin en gaar; voeg er onder het braden nu en dan een

scheutje water bij en keer de rolletjes telkens om; druppel er wat citroensap over en gebruik de rest van den halven citroen om er een paar uitgetande plakjes van te snijden, die als versiering op den schotel met blinde vinken worden gelegd. Neem vóór het opdoen de touwtjes van de rolletjes weg.

Blinde vinken II.

400 Gr. magere, dunne kalfslapjes (4 stuks), ongeveer 100 Gr. kalfsnet, peper, zout, 60 Gr. boter (ook wel 4 eetlepels Delftsche slaolie of 1 blokje Delfrite).

Bereid de blinde vinken in hoofdzaak op dezelfde wijze die in 't vorige recept is beschreven; leg echter, in plaats van het gehakt, op elk lapje een stukje kalfsnet van ongeveer dezelfde grootte als het lapje (rondom iets kleiner) en rol daarmee het vleesch op.

Gebakken kalfslever.

400 Gr. kalfslever, wat peper en zout, een paar eetlepels tarwebloem, ongeveer 75 Gr. boter (te vervangen door 4 eetlepels Delftsche slaolie of 1 blokje Delfia).

Sngd de lever in gelijke plakjes, ongeveer iy2 c.M. dik; wrijf ze in met peper en zout, wentel ze rondom door bloem en leg ze dan in de koekenpan, waarin de boter (of het vet) flink heet is gemaakt. Laat de lapjes op een niet te fel vuur bakken, tot ze mooi bruin en gaar zijn (ongev. 20 min.); keer ze nu en dan om. Schik ze op een verwarmden schotel en giet er de jus over, die met wat water en een paar druppels citroensap is afgemaakt.

Gerecht van lever met spek.

250 Gr. kalfslever, 100 Gr. mager spek, wat peper en zout, wat gehakte peterselie, eenige druppels citroensap, 50 Gr. boter (ook wel 3 eetlepels Delftsche slaolie of bijna 1 blokje Delfrite).

Bak de in plakjes gesneden lever op de wijze die in het vorige recept is beschreven.

Snijd het spek in evenveel plakjes als er lapjes lever zijn; bak ze bruin in het van de lever overgebleven vet. Schik op een verwarmden schotel om en om de lever- en de spek-plakjes, zoo, dat ze even over elkaar komen te liggen, giet er door een zeef de in de pan overgebleven boter op, druppel er wat citroensap over en bestrooi het vleesch met gehakte peterselie.

Biefstuk.

2 biefstukjes van 125 a 150 Gr. (of één grootere van 250 d 300 Gr.), ongeveer 75 Gr. boter, 1 eetlepel Delftsche slaolie of XA blokje Delfrite, een paar lepels melk, wat peper en zout.

Schrap den biefstuk langs alle kanten af, of wel, wasch het vleesch en droog het daarna in een schoonen doek.

Biefstuk met champignons.

Laat in de koekenpan de olie of de Delfrite dampend heet worden, leg er den biefstuk in, die op het laatste oogenblik met wat peper en zout is ingewreven en bak dan op een flink vuur het vleesch aan beide kanten zoo vlug mogelijk bruin; voeg er de boter bij en wentel daarin het vleesch nog even rond.

Leg het vleesch op een verwarmden schotel; maak dan vlug de jus af door er een scheutje melk door te roeren. Giet een paar lepels van de jus over het vleesch en doe de rest in een sauskom, om ze afzonderlijk er bij te presenteeren.

Hoofdzaken bij het bakken van biefstuk zijn:

het zoo vlug mogelijk bruin schroeien, wat veel beter wordt bereikt door Delftsche slaolie of Delfrite dan door boter;

het over den bodem der pan stevig heen en weer bewegen van het vleesch, dat op die manier 't best van de schroeiende hitte der pan profiteert;

het vlug afmaken van de jus, zoodat niet door verdamping van vocht de jus te vet wordt.

Prik' nooit in een biefstuk en behandel het vleesch ook niet met een puntigen biefstuk-klopper: daardoor ontstaan n.1. gaatjes in het vleesch, waardoor een gedeelte van het vocht uittrekt, met bet gevolg dat het vleesch droger zal worden.

Gegarneerde biefstukjes.

3 biefstukjes van 100 Gr. (zoogenaamde ,,tournedos"), 1 eetlepel Delftsche slaolie, 75 Gr. boter, 3 niet te groote maar stevige tomaten, 1 K.G. jonge doperwtjes, wat gehakte peterselie.

Begin met de erwtjes te doppen en gaar te koken (liever nog gaar te s t o o m e n).

Snijd intusschen de gewasschen tomaten in gelijke helften; schik 5 van die helften naast elkaar in een vuurvast schoteltje, bestrooi ze met wat fijn zout, leg op elk stuk een klontje van de boter, giet een bodempje water in den schotel en laat de tomaten in den oven zachtjes gaar worden, echter zóó, dat ze héél blijven. Snijd de nog overgehouden tomatenhelft in 3 nette plakjes, één voor elk biefstukje.

Bak nu met de dampend heete slaolie en daarna onder toevoeging van de nog overgebleven boter de biefstukjes op de wijze die in 't vorige recept is beschreven (niet langer dan 4 minuten), schik ze op een verwarmden schotel en houd ze een oogenblik warm (op den wasem van den ketel bijvoorbeeld).

Keer in de koekenpan met de daarin nog achtergebleven boter de drie tomatenplakjes even om, zoodat ze niet geheel rauw meer zijn; leg op elk biefstukje één van de plakjes en strooi er wat peterselie over.

Omring het vleesch met de tomatenhelften, leg op elke halve tomaat een flinken lepel doperwtjes (vermengd met wat boter) en bedek de ruimte tusschen de tomaten met de rest van de erwtjes.

Maak de jus af met een scheutje water en giet ze door een zeef over het vleesch.

Biefstuk met champignons.

2 biefstukjes van 125 d 150 Gr., 1 eetlepel Delftsche slaolie of yt blokje Delfrite, 60 Gr. boter, ongeveer 250 Gr. champignons, wat peper en zout.

Maak de champignons schoon, wasch ze zorgvuldig, schud ze goed droog en doe ze, bestrooid met wat peper en zout

3