is toegevoegd aan je favorieten.

Nijverheidsonderwijswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

B IJ L A G E N.

Uitvoering der Nijverheidsonderwijswet.

Besluit van den llden Juli 1921, S. 916, tot regeling : van de samenstelling en de bevoegdheid van de oommissiën, bedoeld in art. 85 der Nijverheidsonderwijswet. Wij WILHELMINA, enz. Op de voordraoht van Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen van 12 Februari 1921, n°. 10951, Af deeling Nijverheids- en Handelsonderwijs;

Overwegende, dat door Ons de noodige voorschriften moeten worden gegeven tot uitvoering van artikel 55 der Nijverheidsonderwijswet;

Den Baad van State gehoord, advies van 29 Maart 1921, n°. 26;

Gezien het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 7 Juli 1921, n°. 6293, Afdeeling Nijverheids- en Handelsonderwijs; Hebben goedgevonden en verstaan, te bepalen:

Art. 1. Jaarlnks worden door Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, zoo noodig, voor iedere provincie en bovendien voor elke der gemeenten Amsterdam, Rotterdam en 's-Gravenhage, oommissiën samengesteld, belast met het onderzoek bedoeld in art. 55 der Nijverheidsonderwijswet.

Onze Minister voornoemd kiest de leden dezer oommissiën uit de leden der commissiën van voorlichting, bedoeld in Ons besluit van 11 Juli 1921, n° 53.

2. Iedere commissie geeft voor elk vak, ambacht of beroep, voor hetwelk in hare provincie of gemeente volgens het leerlingstelsel wordt opgeleid, een bepaald proefwerk op, dat