is toegevoegd aan je favorieten.

Nijverheidsonderwijswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

164

van den bol en van eenvoudige schaduwbepaiing bij zonlicht;

d. algemeene kennis van de ontwikkeling der beeldende kunsten (bouwkunst, schilderkunst, beeldhouwkunst, kunstnijverheid en ornament);

e. algemeene kennis van de proportieleer van den mensch (man, vrouw en kind); kennis van de ontleedkunde, omvattende het geraamte, den oorsprong, de inplanting en de werking van de voornaamste spieren, gelegen aan de oppervlakte van het lichaam, en de spieren, die den vorm van h"t menschbeeld bepalen;

f. kennis van de eischen van doeltreffend onderwijs in het handteekenen aan de scholen waarvoor deze akte bevoegdheid goeft; geschiktheid om de verkregen kennis aan een groep van leerlingen mede te deelen; een en ander in verband met het bepaalde in art. 38 der wet;

g. vaardigheid in :

1. het teekenen van een vlakornament in kleuren;

2. het teekenen van een stilleven naar de natuur;

3. het teekenei) van een borstbeeld naar het leven;

4. het teekenen van een plastisch ornament ;

, 5. het ontwerpen van een vlakornament, toegepast op een gebruiksvoorwerp ;

6. het schetsen van een menschbeeld; naar gipsafgietsel;

7. het schetsen op het schoolbord;

8 het teekenen van een werkstuk uit de perspectief.

TOELICHTING.

1. naar plaat, teekening of ander daarvoor geschikt voorbeeld, o. a. geweven stof, glas in lood, tegels, versierde hoofdletters, enz. (uit te voeren in zuivere omtreklijnen en in vlakke tinten);

2. eenvoudig stilleven, samengesteld uit eenvoudige voorwerpen, verschillend in vorm en stof (te bewerken met schaduwen);

4. deze teekening te bewerken met schaduwen ;