is toegevoegd aan je favorieten.

Nijverheidsonderwijswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

234

Den Raad van State gehoord, advies van 29 Maart 1921, n°. 2b;

Gelet op het nader rapport van Onzen voornoemden Minister van 7 Juli 1921, n°. 5293, Afdeeling Nijverheids- en Handelsonderwijs ; Hebben goedgevonden en verstaan, te

bepalen:

Art. 1. Het genot van Rijkssubsidie, als bedoeld in artikel 25 der Nijverheidsonderwijswet, is afhankelijk gesteld van de behoorlijke naleving door de school- of gemeentebesturen, voor zooveel hen betreft, van de wettelijke bepalingen betrekking hebbende op het Nijverheidsonderwijs.

2. Wanneer Onze Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen zulks verlangt, staan de lokalen der scholen open voor het afnemen van ingevolge de Nijverheidsonderwijswet te houden examens.

3. De besturen der scholen en gemeenten geven alle gewenschte inlichtingen, de school aangaande, aan Onzen Minister voornoemd, aan den betrokken Inspecteur van het Nijverheidsonderwijs en aan den Accountant bij de Inspectie van het Nijverheids- en Handelsonderwijs. Zij stellen den voornoemden Inspecteur in kennis met gewichtige gebeurtenissen, de school, het onderwijs of het personeel betreffende.

4. Aan de goedkeuring van Onzen Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen worden onderworpen:

a. het reglement, het programma van Onderwijs, de rooster van lesuren, zoomede de wijzigingen welke in voornoemde stukken worden aangebracht;

b. de keuze van het terrein en de verdere voorstellen betreffende den bouw en het gebruik van de lokalen waarin het onderwijs zal worden gegeven.

5. Jaarlijks vóór 15 Februari wordt de rekening en verantwoording over het afgeloopen kalenderjaar ter goedkeuring aan Onzen voornoemden Minister opgezonden; hierbij gaat tevens een verslag van de uitkomsten van het onderwijs in het afgeloopen kalenderjaar.

Jaarlijks vóór 1 Maart wordt da begrooting van inkomsten en uitgaven vooi het volgend kalenderjaar ter goedkeuring aan Onzen voornoemden Minister opgezonden.