is toegevoegd aan je favorieten.

Nijverheidsonderwijswet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 526 —

Beschikking van den Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, d.d. 3 November 1925 [Ned. Stct. 1925, n°. 215), tot nadere vaststelling van het reglement en de programma's voor de eindexamens aan de van Rijkswege gesubsidieerde zeevaartscholen.

De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ;

Oelet op artikel 8 van het Koninklijk besluit van 11 Juli 1921 (Staatsblad n°. 919) ;

Gezien het rapport van den betrokken inspecteur van het nijverheidsonderwijs van 2 October 1925, n°. 1650 ;

Heeft goedgevonden:

1°. het reglement en de programma's voor de eindexamens aan de van Rijkswege gesubsidieerde zeevaartscholen nader vast te stellen als aan deze beschikking zijn gehecht;

2°. te bepalen, dat dit gewijzigde reglement en deze programma's voor het eerst zullen worden toegepast bij de in het jaar 1926 te houden examens.

's-Gravenhage, 3 November 1925.

De Minister voornoemd, Rutgers.

REGLEMENT voor de eindexamens aan de van Rijkswege gesubsidieerde zeevaartscholen. Art. 1. De eindexamens der van Rijkswege gesubsidieerde zeevaartscholen worden afgenomen in Juni en Juli.

2. Het examen bestaat uit een schriftelijk, mondeling en practisch gedeelte; het wordt door den directeur en leeraren aan de school afgenomen. De opgaven van het schriftelijk gedeelte zijn voor alle zeevaartscholen gelijk. Het mondeling gedeelte wordt hoofdelijk en onder toezicht van één of meer gecommitteerden afgenomen. Eene commissie regelt het examen; de leden beoordeelen het schriftelijk werk en zijn gecommitteerden bij het mondeling examen.

De omvang der kennis, die in elk vak van de candidaten kan worden gevorderd, is aangewezen in de als bijlage bij dit reglement gevoegde programma's A en B.

3. De Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen benoemt de Commissie vóór den 15den April en wijst den ondervoorzitter en secretaris aan. De inspecteur van het nijverheidsonderwijs, belast met het toezicht op de zeevaart-, visscherij- en schippersscholen, is voorzitter.

Het aantal leden bedraagt 15. Voor het nazien van het schriftelijk gedeelte en het toezicht op het mondeling examen worden door den Minister, zoo noodig, nog gecommitteerden aangewezen.

4. Uiterlijk 1 Maart zenden de directeuren der zeevaartscholen aan den voorzitter een Stel Schriftelijke opgaven voor het eindexamen, voorzien van de noodige toelichtingen. Voor ieder vak en voor elk der uitgewerkte vraagstukken worden afzonderlijke bladen gebruikt.