is toegevoegd aan je favorieten.

Vleeschkeuringswet S. 1919, no. 524

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 39 —

Art. 28

niet overgenomen, omdat een verbod kan blijven gelden zoolang de gelegenheid in de andere ge meente openstaat. (M. v. A.) Zie voorts ook onder artikel 9.

Van den invoer van vleesch en vleeschwaren.

Art. 27. 1. Invoer van vleesch heeft plaats langs de, door Onzen Minister van Arbeid in overleg met Onzen Minister van Financiën aan te wijzen, eerste kantoren, waar het op kosten van den invoerder door een, door Ons aan te wijzen, ambtenaar wordt gekeurd.

2. Het eerste lid is in de, bij algemeenen maatregel van bestuur aan te wijzen, gevallen niet van toepassing op kleine hoeveelheden vleesch, bestemd uitsluitend voor huishoudelijk gebruik van, aan de grenzen wonende, personen.

3. Onze Minister van Arbeid kan den invoer toestaan van vleesch, dat zich bevindt in of op een middel van vervoer en bestemd is uitsluitend voor het persoonlijk gebruik van hen, die daarin of daarop verblijven.

De in het le lid bedoelde eerste kantoren zijn aangewezen bij beschikking van de Ministers van Arbeid en van Financiën van 20/22 Mei 1922 (Ned. Staatscourant n°. 103) (zie Bijlagen, bladz. 113); de daar genoemde ambtenaren bij besluit van 24 Mei 1922, S. 78 (Ned. Staatscourant n°. 104). (Zie Bijlagen, bladz. 115.)

— Bij besluit van 26 April 1922, S. 225, nader aangevuld en gewijzigd bij besluit van 19 Juni 1922, S. 418, zijn de in het 2e lid bedoelde gevallen aangewezen. (Zie Bijlagen bladz. 106.)

Art. 28. Bij algemeenen maatregel van bestuur wordt bepaald, onder welke