is toegevoegd aan je favorieten.

Vleeschkeuringswet S. 1919, no. 524

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

- 126 -

dan keukenzout, al dan niet vermengd met salpeter (kaliumnitraat), in zoodanige verhouding, dat de vleeschwaren ten hoogste 0.2 pet. salpeter bevatten, suiker, niet kunstmatig gekleurde azijn, deugdelijke kruiden of specerijen en deugdelijk watervrij zetmeel, dit laatste in totaal tot ten hoogste 4 pet. in toebereid gehakt en 2 pet. in worsten, die gekookt zijn, of in vleeschwaren, die in luchtdicht gesloten blikken, flesschen of andere voorwerpen door sterilisatie zijn verduurzaamd.

De Minister kan ten aanzien van met name te noemen vleeschwaren toestaan, dat eveneens met name te noemen levensmiddelen, mits deugdelijk, bij de bereiding van die vleeschwaren aanwending vinden, zoo noodig onder bepaling tot welke hoeveelheid die levensmiddelen mogen worden toegevoegd en op aanvraag tot wederopzegging toestaan, dat met name te noemen vleeschwaren door hem aan te wijzen onschadelijke kleurstoffen bevatten, op voorwaarde dat deze vleeschwaren uitsluitend voor het buitenland bestemd zijn en hier te lande niet in verkeer worden gebracht.

9. Bij het bereiden van vleeschwaren mogen omhulsels, afkomstig van darmen, slechts worden gebruikt, wanneer deze darmen goed zijn gereinigd. De hulsels mogen niet gekleurd zijn, tenzij de vleeschwaren, in deze omhulsels besloten, uitsluitend voor het buitenland bestemd zijn en hier te lande niet in verkeer worden gebracht, in welk geval de Minister op aanvraag tot wederopzegging kan toestaan, dat voor met name te noemen vleeschwaren de hulsels bepaalde, door hem aan te wijzen onschadelijke kleurstoffen mogen bevatten.

10. Wanneer voor verduurzaming van vleesch gebruik wordt gemaakt van blikken, flesschen of andere voorwerpen, welke luchtdicht gesloten worden, moeten deze uit deugdelijk materiaal bestaan, dat geen lood, zink of andere bestanddeelen afgeeft in hoeveelheden, die schadelijk voor de gezondheid kunnen zijn of genoemde waren kunnen verontreinigen.

11. De kennisgeving van het voornemen één of meer slachtdieren, met betrekking waartoe de in het eerste lid van artikel 6o der wet bedoelde ontheffing is verleend, te slachten, geschiedt in onderstaanden vorm :