is toegevoegd aan je favorieten.

Vleeschkeuringswet S. 1919, no. 524

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 47 —

Art. 34

1. Over de beteekenis van „slachten" zie onder art. 6.

— Uit de verschillende bepalingen der Vleeschkeuringswet 1919 in onderling verband en samenhang volgt, dat de ambtenaren, die met de keuring belast zijn, zelf zullen hebben te beslissen of zij de vergunning tot slachten al of niet zullen geven.

De wet bepaalt wèl (nl. in de aan art. 34 voorafgaande artikelen), wie de inart. 34 der wet bedoelde vergunning moet verleenen, te weten de ambtenaren, die met de keuring belast zijn.

(Arr. van den H. R. van 4 Februari 1924, W. 11171.)

— De vraag, of de verbodsbepaling van art. 34, le lid, beperkt is tot aan keuring onderworpen slachtdieren — of in casu bij een zoogenaamde huisslachting, waarbij keuring niet behoefde te geschieden, daar ten aanzien van de gemeente, waar de slachting plaats vond, krachtens art. 6a der Vleeschkeuringswet van de daartoe strekkende bepaling van art. 4 ontheffing zou zijn verleend, de voorschriften van den algemeenen maatregel van bestuur, bedoeld in het 2e lid van art. 18 moeten worden in acht genomen — werd beantwoord door den H. R. in dien zin, dat de woorden van art. 34 niet gedoogen de opvatting, dat de voorschriften van den algemeenen maatregel van bestuur, vast te stellen volgens art. 18, lid 2, der wet, beperkt zouden zijn tot die slachtdieren, die aan keuring onderworpen zijn.

(Arrest van 16 Juni 1924, W. 11233.) Eveneens het Arr. van 20 October 1924, W. 11274; N. J. 1925, bladz. 7.

Intusschen zijn door invoeging van een nieuw artikel 15a in het besluit van 5 Juni 1920, S. 286, de bepalingen van § 3 van dit besluit, aangevende de wijzen, waarop slachtdieren mogen worden geslacht, niet meer van toepassing op slachtdieren, die ingevolge toepassing van art. 6a der wet niet aan keuring zijn onderworpen, tenzij en voor zoover de gemeentelijke verordening, bedoeld in art. 20, le lid der wet het tegendeel bepaalt.

— De Arr.-Rechtbank (6e Kamer) te Amsterdam heeft in haar zitting van 13 Nov. 1923 vernietigd een vonnis van den Kantonrechter, waarbij de beklaagde was schuldig verklaard aan overtreding van te Amsterdam een slachtdier