is toegevoegd aan je favorieten.

Vleeschkeuringswet S. 1919, no. 524

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Art. 48

sistentie, in ondeugdelijken toestand verkeert, had die eigen wetenschap den rechter niet mogen leiden tot het aannemen van het in ondeugdelijken toestand verkeeren, zoo niet door wettige bewijsmiddelen is komen vast te staan, dat het vleesch hetwelk beklaagde blijkens de dagvaarding aanwezig had, die eigenschappen vertoonde, op grond waarvan de rechter uit eigen wetenschap tot het aannemen van het in ondeugdelijken toestand verkeeren, is gekomen.

Nu echter het aanwezig zijn dier eigenschappen niet door de in het vonnis gebezigde bewijsmiddelen is komen vast te staan, (de ambtseedige verklaring van den keuringsveearts, die zulks inhield, is door de Rechtbank niet onder de bewijsmiddelen opgenomen) is het vonnis niet behoorlijk met redenen omkleed. (Arr. H. R. van 16 October 1923, N.J. 1923, 6Zaaz.l363.)

Art. 41. Het maximum van de straffen, bij de artikelen 33—40 bepaald, wordt verdubbeld, indien tijdens het plegen van de overtreding nog geen jaar is verloopen, sedert eene veroordeeling van den overtreder wegens een der, in die artikelen strafbaar gestelde, feiten onherroepelijk is geworden of de, bij die veroordeeling opgelegde, geldboete is betaald.

Art. 42. 1. Bij eene eerste veroordeeling wegens een der, in de artikelen 34, 35, 37, 39 of 40 strafbaar gestelde, feiten kan de rechter de openbaarmaking van zijne uitspraak gelasten.

2. Indien de overtreder binnen vijf jaren, nadat de eerste veroordeeling onherroepelijk is geworden of de opgelegde boete is betaald, andermaal wegens een dier feiten wordt veroordeeld, gelast de rechter de openbaarmaking van zijne uitspraak.

Art. 43. De, bij deze wet strafbaar gestelde, feiten worden beschouwd als overtredingen.