is toegevoegd aan je favorieten.

Vleeschkeuringswet S. 1919, no. 524

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 115 —

dan vleesch van gezonde di eren), in zoo hygiënisch mogelijke omstandigheden worden gebracht; bovendien moet het onderzoek zoo nauwgezet mogelijk worden verricht. Een en ander is slechts te bereiken door de voorgestelde regeling.

Ik vind hierbij gelegenheid er de aandacht op te vestigen, dat het voortgezet, het bacteriologisch vleeschonderzoek, dat krachtens mijne beschikking van 15 Juli 1920 bij de gevallen van natuurlijken dood of noodslachting zal kunnen volgen, niet alleen hygiënische beteekenis beeft, dcch tevens van groot economisch belang kan zijn voor den eigenaar van het vleesch, daar het in den loop der jaren gebleken is, dat in gevallen van noodslachting vleesch, door twijfel aan deugdelijkheid anders afgekeurd, op grond van de uitkomsten van het bacteriologisch onderzoek onder zekere voorwaarde voor, consumptie kan worden goedgekeurd.

Bovengenoemde overwegingen geven mij aanleiding Uw College te vragen erop toe te willen zien dat de bepalingen, als ontwerpen in artikel 10 en 10a in de verordening van zoodanigen aard zijn, dat zij geheel beantwoorden aan het doel: het gevaar van gestorven slachtdieren en van z.g. noodslaohtingen voor de Volksgezondheid zooveel mogelijk te voorkomen.

Als regel zal het vervoer niet al te groote bezwaren medebrengen: reeds thans wordt zulk vleesch over groote afstanden vervoerd naar koudslachterijen. Het gemeentebestuur zou door beschikbaarstelling van een doelmatigen wagen het transport zeer kunnen bevorderen.

Intusschen heb ik overwogen, om zooveel mogelijk tegemoet te komen aan lasten en moeilijkheden in de practijk of, zonder gevaar voor de Volksgezondheid, niet een gedeeltelijke ontheffing van dit vervoer mogelijk zou zijn waar, zoo hiertoe niet werd overgegaan, gevreesd zou moeten worden voor wetsontduiking op groote schaal, vooral op het platteland. En nu wil het mij voorkomen, dat er gevallen zijn, waarvan zelfs de eigenaar, houder of hoeder van het gestorven of in nood gedoode slachtdier met zeer groote waarschijnlijkheid weet, dat afkeuring zal moeten plaats vinden.