is toegevoegd aan je favorieten.

Vleeschkeuringswet S. 1919, no. 524

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 116 —

Hij heeft dus hoegenaamd geen belang het cadaver te vervoeren, immers hij weet dat de kans op goedkeuring uitgesloten is. Hij heeft slechts de lasten en kosten van het vervoer. Het is daarom, dat voorgesteld wordt, dat de keuringsveearts ontheffing van het verplichte vervoer kan verleenen in bijzondere gevallen, welke nader zijn aangegeven in artikel 10a. Voor zooveel noodig diene hier als verklaring, dat overeenkomstig het tweede lid van genoemd artikel, deze ontheffing geldt de in nood gedoode slachtdieren, welke om andere redenen dan ziekte zijn gedood, n.1. slachtdieren, die door een ernstig ongeval zijn getroffen en die, welke onmiddellijk gevaar opleveren voor de veiligheid van personen of goederen. Waar bij deze categorie van dieren groot gevaar voor de Volksgezondheid niet te duchten is, het in den regel zelfs volkomen gezonde slachtdieren betreft, zal meestal de ontheffing van het vervoer wel kunnen worden verleend. Om echter fraude te voorkomen, moet de keuringsveearts het in zgn hand hebben zoo noodig vervoer te kunnen gelasten. Een ander geval waarin hij de faciliteit mag toestaan betreft slachtdieren, die gestorven zijn en slachtdieren die door ziekte in onmiddellijk dreigend levensgevaar verkeeren (artikel 3 letter b der Vleeschkeuringswet) wanneer zich hierbij voordoet de verwachting van den eigenaar, dat het dier tocb zal worden afgekeurd. Het spreekt vanzelf dat de keuringsveearts zich ter plaatse zal moeten overtuigen. Met het voorgestelde in artikel 10a „zonder nader onderzoek (terstond) kan afkeuren" word* bedoeld, dat er geen bacteriologisch onderzoek noodig is om tot afkeuring te besluiten. Natuurlijk zijn onder de ontheffingen ook begrepen de gevallen bedoeld in artikel 4, derde lid, der Vleeschkeuringswet.

Het behoeft geen betoog, dat de onbruikbaarmaking voor voedsel voor mensch en dier behoorlijk zal moeten geschiede* j intusschen het derde lid van artikel 61 van het Koninklijk besluit van 5 Juni 1920, Staatsblad n°. 286, voorziet hierin.

Indien van gemeentewege, of door combinaties van gemeenten het vervoer van alle gestorven en in nood gedoode slachtdieren