is toegevoegd aan je favorieten.

Warenwet 1919, S. No. 581

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 286 —

vangst van bovenbedoeld advies mede aan den directeur van den keuringsdienst en aan den betrokken inspecteur van de Volksgezondheid.

5. De gebruikers of de eigenaars der ruimten, alsmede de betrokken inspecteur van de Volksgezondheid kunnen tegen het door Burgemeester en Wethouders, op grond van het hierboven in het eerste lid onder g bepaalde, genomen besluit binnen drie weken, nadat hun dit besluit is medegedeeld, in beroep gaan bij de Gedeputeerde Staten van de provincie, waarin de ruimten gelegen zijn ; de betrokken inspecteur van de Volksgezondheid kan dit mede doen tegen het verleenen van ontheffingen als bedoeld in het derde lid van dit artikel.

6. Hebben Burgemeester en' Wethouders de in lid 1 onder g bedoelde verklaring op een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van den betrokken inspecteur voor de Volksgezondheid niet binnen twee maanden aan den gebruiker der ruimte afgegeven, dan kan de inspecteur een gelijk verzoek schriftelijk (indienen bij Gedeputeerde Staten der provincie, waarin de ruimten zijn gelegen, die daarop binnen twee maanden beschikken en overeenkomstig die beschikking de gevraagde verklaring al of niet aan den gebruiker der ruimte afgeven.

8. Voor de bereiding van brood mag niet zijn of worden gebruik gemaakt:

o. van grondstoffen, die sohadelijk voor de gezondheid zijn of kunnen zijn, ondeugdelijk van samenstelling zijn of' in ondeugdelijken toestand verkeeren;

6. van andere stoffen dan de normale grondstoffen, tenzij met Onze toestemming ;

c. van deeg, dat met de voeten is bewerkt.

9. 1. Het keukenzoutvrije aschgehalte van de droge stof der kruim mag niet hooger zijn dan:

a. 1,0 % bij het brood bedoeld in art. 1, eerste lid, onder o, alsmede bij dat, bedoeld in art. ■ 1, eerste lid, onder e, voor zoover daarin zemelen met het bloote oog niet waarneembaar

ZW '• '.. , , , ' 'H'W''

o. 2,4 % bij het brood bedoeld in art. 1, eerste lid, onder 6 en c, alsmede bij dat, bedoeld in art. I, eerste lid, onder e, voor-zbover daarin zemelen met het bloote oog wel waarneembaar zijn;

c. 1,5 % bij het broodi bedoeld in att. 1. eerste lid. onder d, voor zoover daarin zemelen met het bloote oog niet waarneembaar zijn en van 2,8 % bij dit brood, voor zoover daarin zemelen met het bloote oog wel waarneembaar zijn. ■•-

2. Het keukenzoutgehaltc van de droge stof van brood mag niet hooger zijn dan 2,5 %.

10. 1. Met uitzondering van klein brood van ten hoogste 100 gram, van krentebrood, dat ten minste 20 % aan krenten, rozijnen en/of sukade bevat, en van suikerbrood, dat ten minste 30 % suiker (saccharose) bevat, mag