is toegevoegd aan je favorieten.

Warenwet S. 1919, No. 581

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 194 -

aan do waar eigen, wordt onderzocht langs serologischen weg.

5. Kreatinine. Een zoodanige hoeveelheid der waar, die zoo mogelijk meer dan 8 en minder dan 16 mg kreatinine bevat, wordt in een porceleinen schaaltje met 20 cm* N zoutzuur op het. waterbad drooggedampt. Het residu wordt met water opgenomen en met natronloog (V2 N) geneutraliseerd, waarbij gebruik wordt gemaakt van lakmoespapier. De geneutraliseerde vloeistof wordt met water in een Erlenmeyerkolf gespoeld en met water tot 75 cm3 aangevuld. Aan deze oplossing wordt zoolang druppelsgewijs een oplossing van 1 % kaliumpermanganaat toegevoegd, totdat het mengsel de kleur van malagawijn heeft en ten minste 3 minuten bhjft. Indien de waar weinig of geen keukenzout bevat, wordt een kaliumpernianganaatoplossing gebruikt, die bovendien 2,6 % keukenzout bevat. Daarna wordt druppelsgewijs een 3 % waterstofsuperoxyde-oplossing toegevoegd, die op 100 cm3 1 cm3 azijnzuur bevat, totdat naast het neerslag van mangaansuperoxyde een gele oplossing zichtbaar is. Daarna wordt het mengsel 6—10 minuten op het waterbad verwarmd, totdat het mangaansuperoxyde zioh volledig heeft afgescheiden. Het mangaansuperoxyde wordt afgefiltreerd en uitgewasschen. Het filtraat wordt in een porceleinen schaal op het waterbad tot 10—15 om3 geconcentreerd en daarna met weinig water in een maatkolf van 500 om3 gebracht. De vloeistof mag dan niet meer dan 20 cm3 bedragen. Daarna worden 10 om3 eener 10 % natriumhydroxyde-oplossing en 20 cm3 eener 1 % pikrinezuuroplossing toegevoegd. Na 6 minuten wordt met water van 17° 0. tot 500 cm* aangevuld en binnen een half uur in een oolorimeter met een yt N kaliumbichromaatoplossing vergeleken. 8 mM der % N kaUumbichromaatoplossing komen overeen met 8,1 mM eener oplossing, verkregen uit 10 mg kreatinine, op dezelfde wijze als boven behandeld.