is toegevoegd aan je favorieten.

De statistiek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

I. — STATISTIEKWET. — Artt. 5—6.

Art. 5. De volgens het vorige artikel verschuldigde kosten worden voldaan aan den Ontvanger der invoerrechten, of bij gebreke van dien aan den Ontvanger der accijnzen, onder wiens kantoor zij zijn gemaakt.

Heeft de betaling niet plaats binnen den daartoe te stellen termijn, dan worden zij ingevorderd bij parate executie. De bepalingen van art. 291, eerste tot en met zesde lid, der Alg. wet van 26 Aug. 1822, S. no. 38 (1) zijn ten deze van toepassing.

1. Zie V. v. V. no. 70 en deel VII der Vakstudie.

Art. 6 (1—3). Hij die, voor zich zeiven of voor een ander, eene aangifte doet als bedoeld bij art. 3,wordt gestraft met geldboete van ten hoogste honderd gulden (4) :

1°. indien de soort, het land van herkomst of het land van bestemming der goederen onjuist is aangegeven (5—7) ;

2°. indien de hoeveelheid of de waarde der goederen meer dan tien ten honderd te hoog of te laag is aangegeven en wegens dit feit geene verhooging van invoerrecht of statistiekrecht verschuldigd is (7—12).

Het, enz. (1).

1. Dit artikel is opgenomen, zooals het luidt krachtens art. XVII der wet van 31 Dec. 1920, S. no. 977, V. v. V. no. 1564 waarbij :

1°. in het eerste lid, onderdeel 2 werd gewijzigd (zie hierover aant. 11 hierna);

2°. het tweede lid, luidende: „Het eerste lid is ook van toepassing op vennootschappen van koophandel en op vereenigingen die rechtspersoonlijkheid bezitten", verviel;

3°. de aanhef van art. 6, luidende : „Hij die een aangifte doet, enz.", werd gewijzigd in de tegenwoordige redactie.

De beide laatste wijzigingen werden in de Mem. v. T. als volgt toegelicht :

Het tweede lid van art. 6 der Statistiekwet is in die wet misplaatst. In een voorontwerp is indertijd de bepaling opgenomen, dat de geldboeten bij wanbetaling, evenals in zake invoerrechten en accijnzen, op het vermogen van den veroordeelde verhaalbaar zouden zijn. Hiermede stond het tweede lid van art. 6 in verband; het had moeten .vervallen toen later de zooeven bedoelde bepaling geschrapt werd.

Het verzuimde zou thans nog kunnen gebeuren. Tevens zal dan echter de aanhef van het artikel zijn te wijzigen. Uit het tweede lid volgt, dat indien iemand voor een ander (bijv. voor een naamlooze vennootschap) een aangifte onderteekent, niet hij zelf, doch de ander als de aangever is te beschouwen. Ook dit stond in verband met de in het definitieve wetsontwerp niet behouden bepaling. Nu executie op het vermogen niet kan plaats hebben, zal de onderteekenaar eener aangifte zelf strafrechtelijk aansprakelijk moeten zijn.

2. Bij de strafbepalingen is uitgegaan van het denkbeeld, die bepalingen, welke de overtredingen der wetten op den in-, uit- en doorvoer betreffen, aan te vullen, daar, waar deze, met het oog op de bepalingen der tegenwoordige wet, te kort schieten. Mem. v. T.

Zie ook art. 7 hierna.

3. Verg. art. 7 hierna, alsmede §§ 16 en 27 der res. V.v.V. no. 1666, opgenomen in onderdeel III van dit deel.