is toegevoegd aan je favorieten.

De statistiek

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

V. — STATISTIEKRECHT. — Art. 9.

141

vermeld, met de tegelijk met die aangiften ter vergemakkelijking der visitatie overgelegde facturen en andere bescheiden onmiddellijk ontdekken, dat belanghebbenden door een bloote, kennelijk te goeder trouw gemaakte vergissing de waarde te laag hebben aangegeven. In die gevallen is er geen bezwaar tegen, dat de Inspecteur of zijn plaatsvervanger fiat verleent tot het indienen en aannemen van een suppletieaangifte, wanneer het invoer betreft, en tot het ambtshalve verbeteren der aangifte na bijplakking en onbruikbaarmaking van de noodige, door belanghebbenden te verstrekken statistiekzegels, wanneer het uitvoer betreft.

Voor het verleenen van het fiat doet het niet ter zake of de goederen al dan niet naar de waarde belast of vrij zijn, maar wel, dat de aangever niet als onbetrouwbaar of slordig bekend staat. Res. 21 Febr. 1922, no.136.

6. Zie nopens de behandeling van aangiften van materiaal voor den Rijkstelegraaf en -telefoondienst de res. van 10 Juli 1920, no. 66, opgenomen in aant. 9A op art. 1 der Waardewet, bijl. D der Alg. wet.

7. Bij bevinding van een verschil in meer ten aanzien van ter visitatie aangeboden goederen is het meerder bevondene niet als „niet aangegeven" te beschouwen. De aangifte heeft betrekking op al het bevondene. Art. 214 der Alg. wet spreekt dan ook van de „wel onder hun ware of eigen benaming aangegeven goederen". Er is in dat geval een overtreding, strafbaar naar art. 215 der Alg. wet (a).

De te lage aangifte ter waarde moet op den voet van art. 9 der Wet op het Statistiekrecht worden afgewikkeld.

Zoo de te lage opgaaf van de waarde enkel het gevolg is van te lage gewichtsopgaaf en met mede haar oorzaak vindt in de omstandigheid, dat aan de berekening een te lage eenheidsprijs ten grondslag ligt, kan in het algemeen bij Eet bepalen der boete in de bekeuringszaak ook rekening gehouden worden met de verhooging, die volgens art. 13 der Wet op het Statistiekrecht verschuldigd is. Res. 9 Juni 1922, no. 121.

(a) In casu was aangegeven bevroren rundvleesch 106 balen wegende 1625 K.G. en bevonden 106 balen wegende 3100 K.G.

8. Zie nopens de uitvoering van art. 9, de §§ 52, 53 en 67, alsmede voor de visitatiën ter beoordeeling der waarde in het algemeen de §§ 47—51 der res. V. v. V. no. 1567 in onderdeel VI hierna en § 26, vierde hd, der res. V. v.V. no. 1666 in onderdeel III hiervoor.

9. Van de bevoegdheid tot het nemen van monsters, als bedoeld in art. 9, tweede lid, der wet wordt soms een te spaarzaam gebruik gemaakt. Die monsterneming is gewenscht in alle gevallen, waarin zulks ter betere beoordeeling van soort en kwaliteit der goederen en dus tot vaststelling van een juiste waarde dienstig kan zijn en waarin dit zonder veel bezwaar kan geschieden. Res. 21 Febr. 1922, no. 136.

10. De bevoegdheid tot aanhouding der goederen is uitgebreid tot gevallen, waarin als aangever der goederen iemand mocht optreden, op wien, ook al is hij hier te lande gevestigd (a), verhaal vermoedelijk uitgesloten is. Mem. v. T. wet V. v. V. no. 1564.

(o) Oorspronkelijk was in art. 14 bepaald, dat aanhouding der goederen alleen mocht plaats hebben ten aanzien van aangevers, die in het buitenland wonen. Deze bepaling werd in de Mem. v. T. als volgt toegelicht: