is toegevoegd aan je favorieten.

Verzameling van wetten, besluiten en aanschrijvingen betreffende de directe belastingen, invoerrechten en accijnzen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

112

1841, no. 89.

UJS HUUliü KAAL) Utiti «JlUJiriLA^Ulin,

Op de voorziening in cassatie van JACOBUS ADRIANUS SPIERING, likeurstoker en brander, woonachtig te Utrecht, tegen drie interlocutoire arresten en een definitief arrest, door het Prov. Gerechtshof in Utrecht, op 29 Sept., 4 Nov. en 9 Dec. 1840, alsmede op 9 Maart 1841, in hooger beroep gewezen, in de zaak van den Minister van Financiën, geïntimeerde, tegen den requirant, appellant van een interlocutoir vonnis der Arr.-Rechtbank te Utrecht van 11 Nov. 1839, en van een eindvonnis dierzelfde Bechtbank van 2 April 1840 ;

Gehoord enz.

Gehoord den advocaat van den requirant in de voordracht zijner middelen van cassatie;

Gehoord den Adv.-Generaal VAN MAANEN, namens den Proc.-Generaal, in zijn conclusie, strekkende, ten einde de Hooge Baad de drie bovengemelde interlocutoire arresten, alsmede het definitief arrest van het Prov. Gerechtshof in Utrecht, wegens nietigheid in de instructie, door verzuim in de vormen veroorzaakt, zal vernietigen, en de zaak verwijzen naar een aangrenzend Prov. Gerechtshof, ten einde aldaar de zaak opnieuw op het bestaande appèl te worden behandeld en daarin recht gedaan, zooals zal bevonden worden te behooren; met reserve van kosten tot aan de definitieve uitspraak;

O. dat op de openbare terechtzittingen van het Prov. Gerechtshof in Utrecht van 7 Aug., 23 en 29 Sept. 1840, en 13 Januari, en 17, 19 en 25 Febr. 1841, op welke de zaak van den requirant in hooger beroep is behandeld, deze niet in persoon, maar bij gemachtigde is verschenen;

O dat, bij artt. 39 en 40 der wet op het Binnenlandsch gedistilleerd van 26 Aug. 1822, S. no. 37, Off. V. 1838, no. 120 (2), en bij art. 225 der Alg. wet, tegen hét misdrijf, ter zake waarvan de requirant in eerste instantie is gedagvaard en veroordeeld, een geldboete van f 400 en (bij onvermogen) gevangenzetting van zes dagen tot twee jaren (3), wordt bedreigd ;

O. dat die subordinate gevangenzetting, in cas van onvermogen, niet moet worden beschouwd als lijfsdwang, maar als een straf, na het ondergaan van welke de veroordeelde niet meer voor de geldboete aansprakelijk is;

O. dat, volgens art. 226 (1) van het Wetboek van Strafvordering, alleenlijk in zaken betreffende misdrijven, op welke geen gevangenisstraf is gesteld, de beklaagde zich door een advocaat of procureur kan laten vertegenwoordigen ; dat dus des requirants gemachtigde niet had behooren te worden toegelaten, om op voormelde terechtzittingen zijn belangen waar te nemen, en dat hierdoor voormeld art. 226 (1) in deze is geschonden;

O. dat, bij acte van 7 Juli 1840, de requirant in hooger beroep is gekomen van twee vonnissen der Arr.-rechtbank te Utrecht, en wel van een interlocutoir van 11 Nov. 1839, en van een eindvonnis van 2 April 1840, doch dat bij arrest van voormeld hof, van 9 Maart 1841, geen melding is gemaakt, van het interlocutoir vonnis, en alleenlijk op het appel van het definitief vonnis is recht gedaan, welk verzuim, volgens art. 380 (4) van het Wetboek van Strafvordering, grond oplevert tot cassatie; t

Gezien art. 106 der wet op de Bechterlijke organisatie en het Beleid der J ustitie;

Vernietigt de drie interlocutoire arresten en het definitief arrest, door het Prov. Gerechtshof in Utrecht op 29 Sept., 4 Nov., 9 Dec. 1840 en 9 Maart 1841 gewezen in de zaak van den requirant, toen appellant tegen den Munster van Financiën, geïntimeerde ; .

Verwijst de zaak naar het Prov. Gerechtshof in Holland, ten emde aldaar opnieuw op het bestaande appèl behandeld en daarin recht gedaan te worden, zooals zal bevonden worden te behooren;

Reserveert de kosten tot aan de definitieve uitspraak.