is toegevoegd aan je favorieten.

De suikerwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK X. — Artt. 90—91.

§ 11 (21). Het niet voldoen aan de voorschriften van art. 19, art. 29, § 1, de artt. 30, 31, 32, 33, 36, 43, 50, 51, 54, 55, 56, art. 58, § 2, voor zooveel deze paragraaf inschrijving in het register van uitslagen betreft, art. 58, § 3, art. 59, art. 61, art. 62, § 1, tweede lid, art. 66, tweede lid, art. 71, art. 74, § 1, tweede lid, of art. 92, tweede lid, met eene boete, ten laste van den fabrikant of raffinadeur, van ten minste f 50 en ten hoogste f 500, behoudens het bepaalde bij § 6 van dit artikel (22).

21. Deze paragraaf is opgenomen, zooals zij werd gewijzigd bij art. XV der wet van 24 Juli 1903, S. no. 248, V. no. 72.

22. De straf van § 11 is ook van toepassing bij overtreding der voorschriften, gegeven krachtens art. 94, lett. b.

§ 12. Het niet inleveren door een winkelier of neringdoende in suiker van de aangifte van panden, voorgeschreven bij art. 87, § 3, met eene boete, te zijnen laste, van ten minste f 10 en ten hoogste f 100.

Art. 91. De feiten, strafbaar volgens de bepalingen dezer wet, worden beschouwd als misdrijven, behalve voor de toepassing van de artt. 56 en 57 (1) van het Wetboek van Strafrecht, in de plaats waarvan wordt toegepast, hetgeen bij art. 62, eerste en tweede lid van dat wetboek voor overtredingen is bepaald (2—4).

De in zake van invoerrechten en accijnzen thans geldende bepalingen voor het geval van wanbetaling van boeten en gerechtskosten zijn ook bij de toepassing van deze wet van kracht (5).

1. In het Ontwerp van 1906 werd voorgesteld in plaats van „56 en b jj?w té lezen „57 en 58". Volgens de Mem. v. T. bij dat Ontwerp was

in het bestaande art. 91 een fout geslopen. Bedoeld waren de artt. 57 en 58 van het Wetboek van Strafrecht, en werd verwezen naar art. 3 der wet van 31 Dec. 1898, S.«0. 286, V. v. V. no. 612 XV, houdende bepalingen omtrent den accijns op het gedistilleerd en art. 8 der wet van 22 Juli 1899, S. no. 170, V. v. V. no. 434 IV (de Vruchtenwijnwet).

Verg. ook art. 3 der wet van 31 Dec. 1908, S. no. 448, V. v. V. no. 515 XXV, opgenomen in onderdeel I van bijl. G hierna, art. 45 der Bierwet 1916, art. 6 der wet van 30 Dec. 1901, S. no. 319, V.v.V. no. 612 XVII, art. 6 der wet van 18 JuM 1904*8. noJlS0,.(¥. v. V. no. 612 XVIII, art. 7 der wet van 30 Dec. 1910, S. no. 377, V. 1911, no. 19, art. 3 der wet van 2 Maart 1916, S. no. 95, V. v. V. no. 640 en art. 21 der wet van 19 Mei 1922, S. no. 329, V. v. V. no. 1837, welke 5 wetten zijn opgenomen in de bijlagen G., H, K, L en M der Gedistilleerdwet (deel V der Vakstudie, vijfde druk), alsmede art. 23 der wet van 17 Juni 1918, S. no. 383, V. v. V. no. 971, opgenomen in bijl. K der Zoutwet (deel I der Vakstudie, vijfde druk).

2. Volgens deze bepalingen, in strekking overeenkomende met art. 88 der wet van 27 September 1892, S. no. 227, omtrent den zoutaccijns, zullen de strafbare feiten ten opzichte der vervolging en berechting gelijkstaan met de overtredingen van andere wettelijke bepalingen omtrent de accijnzen. Mem. v. T.