is toegevoegd aan je favorieten.

De gedistilleerdwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II. — Artt. 10—11.

51

waarborg tegen het misbruik maken van deze bevoegdheid door de ambtenaren. De bezwaren, welke uit het verleenen van deze bevoegdheid voor de ingezetenen kunnen voortvloeien, zijn uit den aard der zaak grooter voor hen, die het bedrijf van slachter uitoefenen, dan voor de branders, want de eersten kunnen in den regel hun bedrijf niet buiten hun woning verplaatsen, terwijl de laatsten de gemeenschap van hun woningen met hun branderijen kunnen wegnemen, als wanneer die woningen voor de ambtenaren niet meer toegankelijk zullen zijn dan op den voet als dit bij § 3 van art. 126 van het ontwerp wordt voorgesteld. Mem. v. A., Ontwerp 1860/61.

(o) Zie art. 2 der wet van 14 Dec. 1844, S. no. 66, V. v. V. no. 319 III in I 3 van deel VI der Vakstudie.

11. Nopens de verplichting om het in deze woningen aanwezige gedistilleerd te dekken zie art. 121 hierna.

12. De laatste volzin van § 2 kwam in het ontwerp van 1858/59 niet voor, doch was in het ontwerp van 1859/60 daaraan toegevoegd, om zooveel mogelijk waarborgen tegen het doen van onnoodige vwitatiën in woonhuizen te geven.

13. In jaargang 1882 van het Jaarboekje blzz. 200—201 komt een model voob van een proces-verbaal van huisvisitatie. Daarbij is opgemerkt, dat dit proces-verbaal, hetwelk gesteld is in den vorm van een gewoon relaas, aan geen formaliteiten van zegel of registratie is onderworpen en op de gewone wijze aan den Inspecteur is in te zenden en dat de ambtenaren verantwoordelijk zijn voor de gevolgen eener huisvisitatie en eventueel beklag ter zake te hunnen laste komt.

Verg. hierbij de res. V. 1823, no. 143, en de op die res. geplaatste noot a m aant. 3 op art. 183 der Alg. wet (deel VII der Vakstudie).

Art. 11 (1—2). § 1. De gemeenschap, in de drie voorgaande artikelen bedoeld, wordt geacht aanwezig te zijn (3):

a. met alle woonhuizen of andere panden, welke door middel van deuren, trappen, vensters of andere openingen met de branderij of distilleerderij in gemeenschap staan;

b. met de onbebouwde erven, die door gebouwen, muren, heggen, omheiningen, vijvers of slooten van den openbaren weg zijn afgescheiden, en op eene der onder a vermelde wijzen met de branderij of distilleerderij in gemeenschap staan;

c. met woonhuizen of andere panden, die op eene der onder a vermelde wijzen met de evengenoemde onbebouwde erven in gemeenschap staan.

§ 2. De bepalingen onder b en c zijn echter alleen van toepassing, wanneer de daarbij bedoelde onbebouwde erven, woonhuizen, of panden m bezit of gebruik zijn bij den brander of distillateur, of bij zijne huisgenooten, bedienden of werklieden.

1. Zie hierbij aant. 5 op art. 9 en aantt. 1 en 4 op art. 10.

2. De bepalingen van dit artikel zijn ook van toepassing op de bergplaatsen tot opslag van gedistilleerd onder genot van doorlöopend krediet. Art. 15, § 2. v