is toegevoegd aan je favorieten.

De gedistilleerdwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

124 HOOFDSTUK V. — Art. 65.

Komt nu een brander in de noodzakelijkheid om door buitengewone of onvoorziene omstandigheden zijn werkzaamheden tijdelijk te moeten afbreken, of wordt het door zulke omstandigheden voor hem te nadeelig om ze op den voet eener gedane aangifte voort te zetten, dan is steeds met inschikkelijkheid gehandeld en niet gevergd, dat een brander zou gedebiteerd blijven wegens werkzaamheden, die hij niet of niet dan met groot nadeel zou hebben kunnen verrichten. Onder zulke omstandigheden kan men brengen gebrek aan meel wegens windstilte, onverwachte stijging van den prijs der granen, of daling van dien van het gedistilleerd, enz. Maar dat deze beletselen zóó plotseling kunnen opkomen, dat die daags te voren niet zouden kunnen aangegeven worden, dit beweren is zeker niet van overdrijving vrij te pleiten; immers met het beslaan wordt gewoonlijk 's morgens ten vier ure begonnen, zoodat, het beletsel eerst 's nachts zou moeten opkomen om niet op den vorigen dag te kunnen opgegeven worden.

De reden waarom in de bij § 2 bedoelde gevallen geen onvoorwaardelijk recht op afschrijving gegeven en de beoordeeling daarvan aan de Administratie voorbehouden is, bestaat daarin, dat de branders anders bij de minste ongelegenheid waarin zij zich bevinden, al ware die ook door tijdige zorg of met eenigen goeden wil te overkomen, op hun eenmaal gedane aangiften zouden terugkomen en die door nieuwe vervangen, heden om hun werkzaamheden te verminderen, en morgen om die weder te vermeerderen; waardoor veel noodeloos werk en bemoeielijking van het toezicht zouden veroorzaakt worden. Mem. v. T., Ontwerp 1859/60.

Het antwoord der Mem. v. T. van 1859/60 op de aanmerking van het vorig Voorl. V. lost deze niet op. De grond van dat bezwaar, nl. het plotseling verlaten van den dienst door de knechts tengevolge van ongesteldheid door groote zomerhitte of omdat zij elders uitzicht hebben op hooger loon, is dan ook bij dat antwoord geheel met stilzwijgen voorbijgegaan. In dat geval behoort echter ook voorzien te worden en daarom gaf men in overweging § 1 aldus te wijzigen: De brander, die door een ontstaan ongemak aan zijn branderij of aan één of meer zijner werktuigen,of doordien het meerendeel zijner knechts plotseling zijn dienst verlaat, verhinderd wordt," enz. Voorl. V., Ontwerp 1860/61.

Volgens hetgeen hieromtrent bij de Mem. v. T. van 1859/60 gezegd is, moet de verhindering, ontstaan door het onverwachts verlaten van den dienst door knechts, niet onder § 1, maar onder § 2 van dit artikel gebracht worden. Om intusschen alle bezwaar op te heffen, is thans in de redactie van § 2, met het oog op de mogelijkheid dat werklieden hun dienst zóó plotseling verlaten dat dit den brander op den vorigen dag zelfs nog niet zou bekend zijn, een wijziging (b) gebracht. Mem. v. A., Ontwerp 1860/61.

(o) Nader werd in het art. ingelascht, het niet op tijd aanvangen der werkzaamheden.

(b) Zie omtrent deze wijziging den . laatsten volzin van §2 van het onderhavige artikel.

5. Wanneer na een kennisgeving volgens § 1 van dit artikel, tengevolge van het opgemaakte relaas, krachtens art. 103, § 1, ambtshalve afschrijving moet worden bevolen, wordt dit relaas, zoo spoedig mogelijk, door den Inspecteur aan den Directeur opgezonden, met bijvoeging eener door den Ontvanger opgemaakte en door den Inspecteur geviseerde nota van berekening van de af te schrijven hoeveelheid gedistilleerd, en van het dubbel der betrekkelijke aangifte tot stoken,