is toegevoegd aan je favorieten.

De gedistilleerdwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

126

HOOFDSTUK V. — Art. 66.

Art. 2 der wet van 31 Dec. 1898, S. no. 286, V. v. V. no. 612 XV (20).

De bepalingen van de artt. 66, 67 en 68 zijn mede van toepassing op de branderijen van de tweede, de derde en de vierde klasse der eerste soort, met dien verstande, dat voor deze branderijen de speling van vijf ten honderd, bedoeld bij art. 68, §§ 2 en 3, wordt bepaald op zes ten honderd en de speling van zeven en een half ten honderd, bedoeld bij art. 68, § 4, wordt bepaald op negen ten honderd.

Ten aanzien van deze branderijen worden van toepassing verklaard: op de verhoogingen, voortspruitende uit afstokingen ingevolge art. 68, §§ 2 en 3, het bepaalde bij art. 82, § 2, onderdeel c;

op het niet voldoen aan of het overtreden der bepalingen van art. 67, § 1, § 2, § 3 of § 4, de strafbepalingen van art. 133, § 32 ;

op het te laag aangegeven van den trek blijkens de uitkomst eener afstoking volgens art. 68, § 4, de strafbepalingen van art. 133, § 19.

1. Zie aant. 1 op art. 62.

2. Verg. het tweede en derde lid van art. 10 van het Kon. besluit van 20 April 1863, S. no. 20, V. v. V. no. 612 III, zie bijlage O.

3. Van de contröle door afstoking behoort geen overdreven gebruik te worden gemaakt. Intusschen behoort zij nu en dan, en steeds zonder dat de branders vooraf kennis daarvan hebben, te worden toegepast, niet slechts bij zoodanige branders die min of meer verdacht zijn, maar ook bij de overige, zoowel om de gunstige beoordeeling van de laatsten te bevestigen, als om het stootende weg te nemen, dat er in gelegen is wanneer een dergelijk middel van contröle slechts op enkelen wordt toegepast. Instr. § 19.

4. Door enkele Kamers van koophandel en fabrieken werd voorgesteld om te bepalen dat de afstoking door de ambtenaren binnen denzelfden tijd moet Verricht worden als door den brander. Dit kan onmogelijk toegegeven worden, want de brander kent zijn werktuigen en de wijze van stoken, die daarvoor het best past. Ondervinden echter de ambtenaren een lijdelijken tegenstand, dan moeten zij bij het stoken veel voorzichtiger te werk gaan dan de brander zelf, om het aan branden of doorschieten van het beslag te voorkomen, en het is dus natuurlijk dat zij meer tijd voor een stooksel kunnen noodig hebben dan de branders. Hierin kan voor dezen dan ook hoegenaamd geen bezwaar gelegen zijn, want door het langzamer stoken kunnen de ambtenaren toch met mee^aJcOboI uit het beslag halen dan er in aanwezig is.

Evenmin is kunnen getreden worden in het verlangen van eenige branders om de afstoking over een geheele distillatie te doen loopen: dat is het voortbrengsel van verschillende ruwstooksels te zamen te houden, dit daarna over te halen tot enkelnat, en dat nat weder tot moutwijn, een bewerking welke eenige dagen duren en een aanhoudende bewerking door verschillende ambtenaren vorderen zou, die dan nog onmogelijk zouden kunnen waken tegen het aanwenden van verschillende middelen van misleiding, die den brander ten dienste staan, hetgeen voor een enkel ruwstooksel reeds moeilijk genoeg is. Op dien voet zou de afstóking niets beteekenen, hetgeen dan ook door de Kamers van koophandel en fabrieken wordt erkend, daar zij op dat voorstel niet terugkomen. Mem. v. T., Ontwerp 1858[59.