is toegevoegd aan je favorieten.

De gedistilleerdwet

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VI. — Artt. 94—95.

173

6. Het voorschrift betreffende de onmiddellijke kennisgeving van het verlengen van documenten aan het kantoor van afgifte, vervat in de res. V. 1828, no. 163, is in herinnering gebracht, en voorts bepaald, dat, wanneer documenten, waarop bij gezuiverde terugkomst ten kantore van afgifte, afschrijving of teruggaaf van accijns of opheffing van borgtocht moet plaats hebben, wegens oponthoud in het vervoer bij de ambtenaren in bewaring worden gegeven, deze daarvan dadelijk aan het kantoor van afgifte moeten kennisgeven, wanneer de tijd, voor het vervoer toegestaan, tijdens de bewaring komt te verstrijken, terwijl later, bij de teruggave der documenten aan de belanghebbenden, gelijke kennisgeving moet geschieden, met opgave van den tijd waarvoor de verlenging heeft plaats gehad. Res. V. 1865, no. 36.

Hierop is opnieuw aangedrongen bij res. V. 1867, no. 49.

Art. 95 (1). § 1. Het vervoerbiljet, vermeld in de §§ 1 en 2 van het vorig artikel, wordt door de ambtenaren dadelijk, of, wanneer volgens art. 114, § 1, lett. b, de verificatie bij den inslag niet plaats heeft, door den ontbieder, binnen vier en twintig uren (2) na den inslag, ingeleverd bij den Ontvanger onder wiens kantoor de plaats der bestemming behoort.

§ 2. De genoemde Ontvanger debiteert den ontbieder op zijne rekening voor de ingeslagen hoeveelheid gedistilleerd.

§ 3. De accijns van eene bij den inslag bevonden ondermaat wordt dadelijk van den ontbieder ingevorderd (3).

§ 4. De Ontvanger maakt Voorts melding van de debiteering en van de bij § 3 bedoelde veraccijnzing op het vervoerbiljet en zendt dat, vermeld in § 2 van het vorig artikel, terug naar het kantoor van afgifte (4).

1. De bepalingen van dit art. worden ook in acht genomen bij uitslag uit entrepot. Zie art. 109, § 2.

2. Bij uitslag van gedistilleerd met overschrijving van krediet onder hetzelfde kantoor zijn dus de in het vervoerbiljet voorkomende gedrukte woorden, welke betrekking hebben op den termijn van 42 dagen (o) te wijzigen. Res. 10 Aug. 1874, no. 29, en 7 Febr. 1883, no. 33.

(a) Zie aant. 4 op art. 94.

3. Deze bepaling is eerst dan van toepassing, wanneer de bevonden ondermaat te groot is om het document volgens art. 114, § 3, der wet voor conform te kunnen afteekenen. Res. 2 Januari 1868, no. 5. — Bijgew. wet blz. 98.

4. De instructie omtrent het terugzenden van gezuiverde documenten is vastgesteld bij res. V. 1908, no. 38.

Zie, nopens het weder aanhechten der gezuiverd teruggekomen documenten aan de registers, waaruit zij zijn afgegeven, art. 228 van het Reglement op de Comptabiliteit van 14 Jum 1919, opgenomen in § 16 van deel XII der Vakstudie (Comptabiliteit en Kantoorbeheer), zoomede de res. V. 1865, no. 22, sub 7, in verband met de res. V. 1868, no. 37.