is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

248 HOOFDSTUK XIII. — Art. 120.

gezet wordt nageleefd. De Ontvangers der invoerrechten behooren er daarom stipt op te letten, dat de aangiften, door hen aan te nemen alle de door de wet gestelde vereischten bezitten. Bepaaldelijk moet de juiste soort der goederen nauwkeurig worden aangegeven en het is geenszins voldoende, dat in de aangiften slechts de algemeene rubriek vermeld worde, waaronder meerdere goederensoorten, zooals bijv. manufacturen, in het tarief zijn vermeld. Evenzeer behoort de hoeveelheid, het gewicht of de maat naar ieders soort, van de naar de waarde belaste goederen nauwkeurig te worden aangegeven. De invoerder stelt zich anders bloot aan de straffen, bij de artt. 213 en 214 der genoemde wet bedreigd. Ook de waarde moet worden opgegeven voor de goederen naar de waarde belast voor ieder afzonderlijk berekend volgens den loopenden prijs nier te lande — zoodat de opgave van een gezamenlijke waarde voor verschillende goederensoorten in één aangifte niet kan worden aangenomen. Dit punt wordt in het bijzonder aan de ambtenaren aanbevolen. Hes. V. 1862, no. 105, Ia.

3. Zie over het verbod om aangiften aan te nemen van geadmitteerde konvooiloopers, enz., wanneer daarin niet is vermeld voor wiens rekening of op wiens last de aangifte geschiedt, de res. V. 1841, no. U, opgenomen in aant. 18 op art. 118.

4. Van het bepaalde in art. 120 wordt, voor zooveel betreft de biljetten van aangifte ter bekoming van binnenlandsche paspoorten, bedoeld in art. 170 der Alg. wet, afwijking toegestaan ten behoeve van het vervoer tusschen plaatsen en op de voorwaarden door den Minister van Financiën aan te geven. Eenig artikel van het Kon. besluit van 9 Sept. 1904, S. no. 222 V. v. V. no. 281 XIX.

Volgens een in Weekblad no. 1708 opgenomen res. van 21 Febr. ïyjJb vindt voormelde bepaling toepassing voor het vervoer van Maastricht naar Weert of omgekeerd, langs de Zuid-Wülemsvaart.

5. Zie, nopens de aangifte van goederen per pakketpost aangebracht, art. 11 van het Kon. besluit van 17 Maart 1882 S. no. 44, V v V no. 281VIII opgenomen als bijl. P en nopens de aangifte van gouden en zilveren werken, art. 70 der gewijzigde wet van 18 8ept. 1852, S. no. 178, V. 1901, no. 159, opgenomen als bijl. 1.

6. Verg. art. 40 der Alg. wet en de artt. 18, 37 en 47 K. B. (bijl. H).

7. De accijnsvrije goederen behoorlijk aangegeven zijnde, zal de uürekening der rechten mogen worden overgelaten aan de Ontvangers en kunnen worden volstaan met de betaling van datgene, hetwelk door deze voor de rechten is uitgerekend. Art. 124.

8 Het is den aangever van accijnsvrije goederen geoorloofd, zijn aangifte te veranderen zoo in hoeveelheid en soort als in waarde, zoolang op het verkregene document, de visitatie der beambten nog niet aangevangen of eenige aanhaling of bekeuring geschied is. Art. Uo.

9 Zoowel op de volgbrieven als op andere documenten, welke voor het vervoer van accijnsgoederen worden afgegeven worden de naam en voornamen van den schipper voluit geschreven, benevens de naam, het merk of nummer en de soort van het vaartuig behoorlijk en duidenjk omschreven. Res. V. 1827, no. 121. %lê+XUmm *nt

Wanneer de uitvoering der voormelde resolutie met betrekking tot het vervoer door middel van vaste en geregeld varende beurtschepen

248