is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XIV. — Art. 127.

14. Tegen afgifte van afschriften van documenten in zake invoerrechten en accijnzen, ook zonder speciale machtiging, bestaat geen bezwaar, mits de betrokken Ontvangers op die door hen te waarmerken afschriften mtdrukkehjk vermelden, dat deze het ongineele document niet vervangen, en, voor zooveel het betalingspaspoorten voor motorrijtuigen betreft, daarop de verklaring stellen, bedoeld aan het slot der res. van 14 Januari 1921, no. 145 (o). De afgifte mag slechts geschieden op aanvrage door of vanwege degenen, die ook de documenten zelf hebben aangevraagd of ingeleverd. Zij zullen voor de afschriften ook zelf de vereischte formulieren hebben te leveren en wanneer het documenten betreft, die een ambtelijke verklaring bevatten nopens de uitkomst eener verificatie van wijn of gedistilleerd, steeds de kosten moeten betalen, die voor de zoogenaamde handelsroeungen verschuldigd ziin (verg. de res. van 10 Maart 1921, no. 257) (b).

Deze kosten dienen als buitengewone ontvangst verantwoord te worden in het register Compt. no. 8, terwijl zij in den staat Comptb. no. 10 worden vermeld in de kolom „ontvangsten van allerlei aard wegens de accijnzen". .

De afschriften kunnen overigens kosteloos en op ongezegeld papier afgegeven worden, evenals oorsprongs-, landingscertificaten en dergelijke ambtelijke verklaringen. Res. 26 Mei 1921, no. 23.

ia) In het slot dezer resolutie is voorgeschreven dat bij de afgifte van afschriften van paspoorten voor motorrijtuigen of belangruke onderdeelen daarvan, op die afschriften aangeteekend moet worden, dat deze niet kunnen dienen voor de afgifte van nationaliteitsbewijzen. ..„lc.

(b) In deze resolutie is opgenomen een tarief voor roeiloonen voor de nandeisroeiingen.

15 Bij invoer van goederen, bestemd voor H. M. de Koningin of voor leden van de Vorstelijke Familie gelden de volgende voorschriften :

a Van goederen, met bestemming voor H.M. de Koningin of leden van de Vorstehjke Familie ingevoerd, zal geen dadelijke betaling of definitieve aangifte bij aankomst aan de grenzen gevorderd worden, maar die tot bij aankomst te 's-Gravenhage kunnen worden uitgesteld, mits de hooge bestemming der goederen door de vrachtbrieven of cognossementen of adressen behoorhjk gekenmerkt worde, en de invoerders of aangevers genoegzaam bekende personen zijn, die het vertrouwen van de beambten der Administratie verdienen, zullende alsdan na een oppervlakkige visitatie, zonder opening der colli, de goederen van het ambtszegel of lood worden voorzien, en daarvoor volgbrieven, zonder borgstelling.worden afgegeven ten geleide naar een der Vorstelijke verblijven in de residentie (a). . ,

b De extract-volgbrieven, welke gelijktijdig aan den Ontvanger der invoerrechten te 's-Gravenhage, zullen worden opgezonden, zullen door dezen worden gezuiverd na opheffing der zegels of looden en summiere, doch zeer bescheiden visitatie, als wanneer tevens de ontvangst der verschuldigde inkomende rechten of accijnzen zal geschieden volgens de aangifte, daartoe door den bevoegden Opperhofbeambte te doen.

c Ten aanzien der voorwerpen, welke men verlangen mocht met dergelijke faciliteiten naar een der Vorstehjke verblijven buiten s-Gravenhage te dirigeeren, zullen voorafgaande orders van het Ministerie worden

'T'opUst van H. M. de Koningin of verdere leden van het Vorstelijk Huis, zal door den Opperhofbeambte van de aankomst de^ goederen kennis worden gegeven aan den Ontvanger der invoerrechten te s-Gravenhage die daarop onverwijld de noodige ambtenaren zal committeeren

274