is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

370 HOOFDSTUK XVIII. — Art. 179,

voortbrengselen der op het voorschreven terrein bestaande fabrieken (6), die zich in derzelver etablissementen bevinden, en om als hoedanig te kunnen erkend worden, zooveel aangaat stukken katoen, wollen of andere manufacturen of lijnwaden, die van hennep, vlas en werk uitgezonderd, dezelve zoodra hunne vervaardiging op de weefgetouwen is begonnen, vanwege de Administratie moeten zijn gelood of van een ander herkenningsteeken voorzien (7).

Cette défense ne s'étend pas non plus aux fruits verts et productions du sol, ni aux marchandises et denrées exemptes des accises et dont les marchands ou boutiquiers patentés ont besoin pour leur commerce en détail, pourvu que la quantüé n'excède pas ce qu'on peut raisonnablement supposer ou calculer être proportionné d leur débit, ni aux comestibles et autres' objets qui se trouvent chez les particuliers pour la consommation de leur ménage, ni enjin aux matières premières ou aux produits de fabrication, qui se trouvent dans les fabriques établies sur le terrain précité, et qui, en ce qui concerne les produits, devront, pour être reconnus comme tels, lorsqu'il s'agira de pièces de coton, de laine ou autres tissus ou toües, celles de chanvre, de Un ou détoupes excepties, être marqués dun plqmb ou de toute autre marqué, que F administration fera apposer sur ces pièces au moment de leur mise au métier.

1. Dit woord heeft zijn beteekenis verloren sedert het patentrecht is afgeschaft bij art. 60 der wet van 2 Oct. 1893, S. no. 149, V. no. 93.

2. In de 6e Afd. der Tweede Kamer werd te kennen gegeven: „le. Deze hoeveelheid dient uitgedrukt approximatief of althans

wat men verstaat door een redelijken voorraad van den winkelier.

2e. Anders staat men aan de luimen der ambtenaren en arbitraire handelingen bloot.

3e. De bepaling moest alleen toepasselijk zijn op vreemde manufacturen en eenigermate hoog belaste goederen."

Door de Regeering werd hierop geantwoord:

„le. Dit mag onder de onmogelijkheden gesteld worden. 2e. Hiertegen waakt de rechter.

3e. Op deze wordt dezelve ook meer bijzonder toegepast, maar alle uitzondering in de wet zou bedenkelijk zijn."

3. Bij art. 179 is voor de berekening van datgene, wat te veronderstellen of te berekenen is noodig te zijn tot het debiet van den kleinhandelaar, geen grondslag aangegeven, maar daarentegen is ten deze alles aan het arbttrium judicis overgelaten, en bijgevolg kunnen in die wetsbepaling ook geen kenmerken worden gevonden, waarnaar over het al of niet verkeerde van een door den rechter aangenomen grondslag zou kunnen worden geoordeeld. Dit ook is geheel in overeenstemming met den aard der zaak, daar het meerdere of mindere, wat voor het debiet noodig kan zijn, geheel afhangt van plaatselijke en andere omstandigheden, die veelal in ieder geval mogen geacht worden te zullen versclullen, zoodat dan ook des rechters beslissing te deze in cassatie geen punt van onderzoek kan uitmaken. Arresten van den Hoogen Raad van 15 Febr. 1853, 4 April 1853, 14 Juni 1853, 18 Oct. 1853, en 30 Juni 1862; v. d. HONERT, deel V, blz. 135, 185, 224 en 281, en deel VIII, blz. 434.

370