is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

474

HOOFDSTUK XX. — Arlt. 208—209.

overeenkomstig de opvatting van den Hoogen Raad, aan de woorden „ter plaatse, alwaar het eerste kantoor is gevestigd", de beperkte beteekenis van ten kantore of aan hel kantoor toegekend. Zie Fiscus nos. 989 en 1016.

Op de in no. 1016 bedoelde zaak had mede betrekking het Arrest van den Hoogen Raad van 17 Febr. 1908, opgenomen in B. no. 458.

Derde geval (zie aant. 6).

14. Het geval kan zich zeer goed voordoen, dat bij overtreding van art. 205, bij invoer ter zee, zich verzachtende omstandigheden voordoen, als bedoeld bij art. 229, en op dien grond de bekeuring bij transactie wordt afgedaan voor zooveel de verbeurdverklaring (a) betreft. In dat geval is natuurlijk ook art. 208 van toepassing. Fiscus no. 156.

(a) Thans ook voor zooveel de boete betreft.

Oorspronkelijk bepaalde art. 205 geen boete. Verg. aant. 40, op gemeld artikel.

15. Als de Administratie weigert te transigeeren, moet men zich tot den rechter kunnen vervoegen, ter beshssing of er inderdaad geen verschoonende of verzachtende omstandigheden bestaan. 4e Afd. der Tweede Kamer.

Wanneer men zich wel van den aard der rechterlijke functiën penetreert, zal men spoedig overtuigd worden, dat deze interventie geen goed gevolg kan hebben, omdat de rechter den grondslag missen zou om de toe te wijzen straf te regelen. In verscheiden gevallen heeft men ruimte in de toepassing der wet gelaten en daardoor vanzelf in de zwarigheid voorzien. Mem. v. A., nader ontwerp.

Art. 209 (1). Wanneer, bij invoer uit zee (2—5), ontdekt wordt, dat, met betrekking tot goederen in vaten, kisten, balen, manden of andere fustage of emballage (6), niet hetzelfde getal (7) aan boord aanwezig is, als bij de generale verklaring is opgegeven (8), zal door schipper en stuurman (9) verbeurd worden, voor elk aan dat getal ontbrekend stuk, eene boete van honderd guldens (10—12); en zullen de overcomplete of overschietende stukken worden aangehaald en verbeurdverklaard (13—15) dit laatste echter niet, zoo van het meerdere de principale (16) rechten en accijnzen geen tien guldens te boven gaan (17—19), noch ook indien daarvan aangifte ten kantore ter losplaats is geschied vóór de bekeuring (20), als in welk laatste geval voor elk bij de generale verklaring verzwegen stuk, door schipper en stuurman (9) zal worden verbeurd eene somme van cijftig guldens (10) (21—24).

Gelijke boete van cijftig guldens (10) zal worden opgelegd voor elk vat, baal, mand enz., hetwelk, bij de aangifte ten kantore of vroeger (25), blijken mocht eene andere soort van goederen te bevatten dan bij de inklaring is opgegeven (26—28); doch indien die opgave is geschied overeenkomstig de cognossementen of manifesten (29), zal deze boete niet door schipper of stuurman zijn verbeurd, maar komen ten laste van, en verhaalbaar zijn op de alzoo verkeerdelijk opgegevene goederen, invoege dat deze zullen worden aangehaald en confiscabel zijn (30), indien niet door de belanghebbenden bij de goederen de confiscatie wordt afgekocht, door dadelijk, immers binnen veertien dagen na de