is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK XX. — Artt. 228—229. 519

1. Zie art. 311.

2. Zie, nopens het opmaken van een proces-verbaal van ver- en ontzegeling van werktuigen, de res. V. 1910, no. 186, gewijzigd bii res V. v. V. no. 2116. J

3. Verg. art. 52, §5, der GedistiUeerdwet.

4. Zie art. 133, §20, der Gedistilleerdwet en art. 42, in verband met art. 22, § 1, lett. b, der Bierwet 1917.

Zie mede art. 90, §8, der Suikerwet.

5. De hier bepaalde boete moet worden beschouwd als maximum. Het minimum bedraagt f0,50. Zie art. 7, tweede lid, der wet van

15 Aprd 1886, S. no. 64, in aant. 1 op het Opschrift van dit Hoofdstuk.

Art. 229. Wegens alle overtredingen dezer wet en de bijzondere wetten op den ophef der accijnzen (1—5), zal door, of op autorisatie der Administratie (6), omtrent geldboete, verbeurdverklaring en het sluiten der fabrieken of werkplaatsen kunnen worden getransigeerd zoo dikwijls verzachtende omstandigheden de zaak vergezellen, of als 'aannemelijk kan worden gehouden dat de overtreding eerder aan verzuim of abuis, dan aan een oogmerk tot opzettelijke fraude moet worden toegeschreven (7—16).

II pourra être trqnsigé par Vadministration ou d'après son autorisation en ce qui concerne Vamende, la confiscation, la fermeture des iabriques usines ou ateliers, sur toutes les contraventions a la présente loi, et aux lois specuües, sur la perception des accises, toutes et autant de fois que l affaire sera accompagnée de circonstances atténuantes, ou qu'on pourra raisonnabUrnent supposer que la contravention doit être attribuée plutót d une negligence ou erreur, qdd Vintention de fraude préméditée.

1. In VAN NIEUWKUYK, Het fiscale strafrecht en de fiscale strafactie, wordt op blz. 11, noot 1, opgemerkt, dat, nu art. 229 „aUe overtredingen dezer wet en de bijzondere wetten op den ophef der accijnzen" noemt, naar de letter de transactie uitgesloten is voor de boeten der wet van 1870, wat blijkbaar een nalatigheid is (verg. art. 12 dier wet).

2. Bij res. van 13 Aug. 1917, no. 51 (zie B. no. 1734) is te kennen gegeven dat ook overtredingen van accijnswetten, welke van latere dagteekening zijn dan de Invoeringswet van 15 April 1886 S no 64 (zie het eerste lid van art. 7 dier wet, opgenomen in aant. 1 op het acti n Hoofdstuk XX> vatbaar zijn voor afdoening bij trans-

3. Krachtens art. 100, laatste hd, der wet van 18 Sept. 1852, Is. no. 178, V 1901, no. 159, omtrent den waarborg en de belasting der gouden en zdveren werken, kan, in zake overtredingen dier wet? het bedrag der boete en der verbeurdverklaring het onderwerp eener transactie uitmaken tusschen den Controleur van het kantoor van waarborg binnen welks ring de bekeuring heeft plaats gehad, en den bekeurde! doen met dan op last en behoudens goedkeuring van den Minister van f inancien (a—b), en alleen vóórdat de rechtsvordering is ingesteld (c).

™ll;mHlefrbiiis- duH niet ^ voorwaarde gesteld, dat de overtreding eerder aan verzuim, of abuis, dan aan een oogmerk tot opzettelijke fraude moet worden toegeschreven. Verg. het slot van art. 229. woraen

519